ECLI:NL:RBZWB:2026:6187

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/2458 en BRE 26/3486
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:14 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt UWV binnen vier maanden beslissing op WIA-bezwaren te nemen en legt dwangsom op

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaren tegen besluiten van 10 september 2024 en 8 oktober 2024 over zijn WIA-uitkering. De rechtbank heeft de zaken samengevoegd en zonder zitting uitspraak gedaan omdat het beroep kennelijk gegrond is.

De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden ondanks ingebrekestellingen van eiser op 8 en 30 april 2025. Het UWV heeft als reden voor de vertraging het tekort aan verzekeringsartsen opgegeven en gaf aan onduidelijkheid over het moment van besluitvorming.

De rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om alsnog te beslissen, rekening houdend met de noodzaak van zorgvuldige besluitvorming. Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €15.000, die pas stopt als op beide bezwaren is beslist.

Verder veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.J.M. de Weert en openbaar gemaakt op 10 juli 2026.

Uitkomst: Het UWV moet binnen vier maanden alsnog beslissen op de WIA-bezwaren en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2458 en BRE 26/3486

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.J. Bek),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het UWV volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar tegen het besluit van 10 september 2024 en op het bezwaar tegen het besluit van 8 oktober 2024 over zijn uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.1.
Om proceseconomische redenen heeft de rechtbank de zaken BRE 26/2458 en BRE 26/3486 gevoegd. Dit kan de bestuursrechter bij zaken over hetzelfde of een verwant onderwerp doen op grond van artikel 8:14 van Pro de Awb.
1.2.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiser heeft het UWV op 8 en 30 april 2025 in gebreke gesteld. Het UWV heeft de ingebrekestellingen op 9 april 2025 en 1 mei 2025 ontvangen en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan. Het UWV heeft op 27 oktober 2025 en
24 november 2025 een dwangsombeschikking afgegeven.
Welke beslistermijn wordt aan het UWV worden opgelegd?
4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
Het UWV heeft in het verweerschrift van 15 mei 2026 aangegeven dat de reden van het overschrijden van de beslistermijn het tekort aan verzekeringsartsen is. Tevens geeft het UWV aan dat het momenteel nog onduidelijk is wanneer er een besluit afgegeven kan worden.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt om alsnog te beslissen op het bezwaar.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
5. Over de rechterlijke dwangsom overweegt de rechtbank het volgende. Bezwaarschriften kunnen inhoudelijk zodanig met elkaar samenhangen, dat een redelijke toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb met zich brengt dat het bestuursorgaan slechts één rechterlijke dwangsom kan verbeuren. [2] De rechtbank is van oordeel dat de twee bezwaarschriften tegen de besluiten van 10 september 2024 en 8 oktober 2024 zodanig met elkaar samenhangen, dat het UWV één rechterlijke dwangsom verbeurt. De besluiten waartegen bezwaar is gemaakt hebben allebei betrekking op de uitkering van eiser en zijn op grond van dezelfde wettelijke regeling en (grotendeels) hetzelfde feitencomplex gemaakt.
5.1.
De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV, met een maximum van € 15.000,-. Hierbij geldt wel dat de dwangsom pas stopt met lopen als op allebei de bezwaarschriften is beslist.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5.1. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaken alleen gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de bezwaren van eiser bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het UWV de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 10 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1624, onder rechtsoverweging 5.1 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1815, onder rechtsoverweging 4.2.3.