ECLI:NL:RBZWB:2026:6199

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/3393
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Regeling opvang ontheemden OekraïneArt. 7 Regeling opvang ontheemden Oekraïne
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen ontzegging toegang opvang ontheemden Oekraïne

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk heeft op 16 juni 2026 aan verzoeker de toegang tot de gemeentelijke opvang voor ontheemden uit Oekraïne ontzegd. Verzoeker maakte bezwaar en diende een verzoek om voorlopige voorziening in. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 9 juli 2026 en deed direct uitspraak.

De voorzieningenrechter overwoog dat het college op grond van artikel 6 van Pro de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) zorg moet dragen voor opvang inclusief bescherming van het gezinsleven. Het college baseerde het besluit op artikel 7, eerste lid, onder c en d, van de RooO, die beperking of intrekking van verstrekkingen toestaan bij ernstige overtredingen of geweld.

Hoewel intrekking niet mag leiden tot dakloosheid, had het college inmiddels een nieuwe opvangplek geregeld. Verzoeker wijzigde zijn verzoek ter zitting en voerde een beroep op family life aan, maar de voorzieningenrechter vond het onduidelijk of sprake is van een gezamenlijk gezin en dat dit punt in de bezwaarprocedure moet worden beoordeeld.

De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoeker een dak boven het hoofd heeft en dat aan de eisen van de RooO wordt voldaan, zodat geen voorlopige voorziening nodig is. Het verzoek werd afgewezen en er is geen mogelijkheid tot hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de ontzegging van toegang tot de opvang voor ontheemden uit Oekraïne is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/3393
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit , verzoeker

(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk, het college.

Inleiding

1. Het college heeft op 16 juni 2026 verzoeker de toegang tot de gemeentelijke opvang voor ontheemden uit Oekraïne ontzegd. Dit besluit is op schrift gesteld.
1.1.
Verzoeker heeft hier op 26 juni 2026 bezwaar tegen gemaakt. Op dezelfde dag heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en diens gemachtigde. Eiser werd op zitting ook nog bijgestaan door tolk [persoon 1] . Namens het college waren [persoon 2] en [persoon 3] aanwezig.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Verzoekgronden
2. Verzoeker voert aan dat hem door het college ten onrechte de toegang tot de opvanglocatie is ontzegd.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe ze tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3.1.
Het college moet ten aanzien van verzoeker op grond van artikel 6, eerste lid, van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) zorgdragen voor opvang dat bepaalde verstrekkingen omvat. Daarbij moet het college ook ervoor zorgdragen dat het gezinsleven van verzoeker wordt beschermd. Dit volgt uit het tweede lid van artikel 6 van Pro de RooO. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de RooO kunnen de verstrekkingen beperkt of ingetrokken worden. Aan het bestreden besluit heeft het college artikel 7, eerste lid, onder c en d, van de RooO ten grondslag gelegd.
3.2.
Intrekking mag niet tot gevolg hebben dat verzoeker op straat wordt gezet en geen enkel recht meer op verstrekkingen heeft. Dit volgt uit de toelichting bij de wijziging van artikel 7, eerste lid, van de RooO. [1] Het college mocht dus niet hiertoe besluiten.
3.3.
Inmiddels heeft het college een nieuwe opvangplek voor verzoeker geregeld. Hij is gehuisvest in een ander hotel in Waalwijk. Eigenlijk bestaat er dus geen reden meer voor het treffen van een voorziening. Ter zitting heeft verzoeker het verzoek gewijzigd door ook een beroep op family life te doen. Hij wil bij zijn gezin gehuisvest worden.
3.4.
Het college heeft op zitting aangegeven dat het gezin voorafgaand aan het bestreden besluit niet samenwoonde. Verzoeker woonde met een niet-familielid op een kamer. De rest van het gezin was gehuisvest in een andere kamer. Het college stelt bovendien dat verzoeker en zijn vrouw elkaar ex-echtgenoot noemen. Een van de mishandelde vrouwen is de vrouw van verzoeker.
3.5.
Verzoeker betwist dat zijn relatie voorbij is en dat het gezin niet samen woonde. Hij heeft aangegeven dat hij met zijn vrouw en jongste kind op een kamer woonde en dat zijn oudste kind bij de moeder van zijn vrouw woonde.
3.6.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker momenteel op een aparte locatie in [plaats 1] gehuisvest is. Op termijn wordt hij overgeplaatst naar een opvanglocatie in de gemeente [plaats 2] . De afstand tot de locatie waar zijn gezin verblijft is zodanig kort dat verzoeker in ieder geval zijn gezin kan blijven zien. Ten aanzien van het beroep op family life is de voorzieningenrechter van oordeel dat het op dit moment te onduidelijk of verzoeker met zijn gezinsleden in de praktijk één gezin vormt en hij terecht een beroep op het recht op family life doet. Dit punt moet in de bezwaarprocedure beoordeeld worden. Verzoeker heeft op dit moment in ieder geval een dak boven zijn hoofd. Er wordt op dit moment dus in zoverre aan de eisen van de RooO voldaan. Er is dus naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de voorzieningenrechter geen voorziening treft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
5. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026 door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving (voor zover relevant)
Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO)

Artikel 6

1. De opvang omvat in elk geval de volgende verstrekkingen:
a. onderdak in opvangvoorzieningen die een toereikend huisvestingsniveau bieden;
b. een maandelijkse financiële toelage ten behoeve van voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven, tenzij de ontheemde inkomsten uit arbeid heeft;
c. recreatieve en educatieve activiteiten;
d. een verzekering tegen de financiële gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid; en
e. betaling van buitengewone kosten.
2. Het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat tijdens de opvang:
a. de ontheemde bescherming van zijn gezinsleven geniet;
b. (…);
c. (…).
3. Het college van burgemeester en wethouders stelt voor elke opvangvoorziening een huishoudelijk reglement op waarin tenminste passende maatregelen zijn opgenomen om geweldpleging en gender gerelateerd geweld, met inbegrip van aanranding en seksuele intimidatie, te voorkomen en de verplichting van de ontheemde om:
a. de huisregels na te leven die zijn neergelegd in het reglement van de desbetreffende opvangvoorziening;
b. gevolg te geven aan de aanwijzingen van het personeel van de desbetreffende opvangvoorziening;
c. schoonmaakwerkzaamheden te verrichten in en rond de woonruimte; en
d. toegang te verlenen aan het personeel van de opvangvoorziening tot zijn woonruimte indien een redelijk vermoeden bestaat dat de ontheemde de huisregels overtreedt of indien dit voor het beheer van de opvangvoorziening redelijkerwijs noodzakelijk is.

Artikel 7

1. Het college van burgemeester en wethouders kan de verstrekkingen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, beperken of intrekken indien:
a. de opvang van de ontheemde beëindigd wordt omdat opvang (of onderdak) elders is voorzien;
b. de ontheemde de opvang definitief verlaat of gedurende een periode van 28 dagen niet in de opvang is verschenen zonder het college van burgemeester en wethouders hiervan op de hoogte te stellen;
c. de ontheemde ernstig inbreuk maakt op de verplichtingen, genoemd in artikel 6, derde lid;
d. de ontheemde een ernstige vorm van geweld pleegt jegens medebewoners die in dezelfde opvangvoorziening verblijven, aan personen die werkzaam zijn in de voorziening, of aan anderen. (…).