ECLI:NL:RBZWB:2026:6335

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
11858034 \ CV EXPL 25-2825
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:203 BWArt. 6:231 BWArt. 6:233 BWArt. 3:52 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot terugbetaling voorschotten en onrechtmatige inhouding op slotuitkering in letselschadezaak

In deze civiele bodemzaak vordert eiser terugbetaling van voorschotbetalingen en een bedrag dat door gedaagde onterecht is ingehouden op een slotuitkering in een letselschadezaak. Gedaagde voerde verweer dat een honorarium was overeengekomen en dat hij de bedragen niet hoefde terug te betalen. De kantonrechter oordeelde dat eiser de overeenkomst van opdracht als consument had gesloten, waardoor Europese regelgeving inzake oneerlijke bedingen van toepassing was.

De rechter vernietigde het incassotarief van 15% als oneerlijk beding omdat dit niet transparant was gecommuniceerd en leidde tot een onaanvaardbare dubbele declaratie. Het uurtarief bleef geldig. Hierdoor moest gedaagde het onterecht ingehouden bedrag en de voorschotten terugbetalen. De verjaring van de vordering werd verworpen omdat deze tijdig was gestuit.

Daarnaast werd gedaagde veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, inclusief rente. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Vordering tot terugbetaling van voorschotten en onterecht ingehouden bedrag toegewezen, incassotarief vernietigd als oneerlijk beding.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11858034 \ CV EXPL 25-2825
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. Ç. Kaya,
tegen
[gedaagde partij] H.O.D.N. [handelsnaam],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
In deze zaak vordert [eisende partij] (terug)betaling van aan [gedaagde partij] betaalde gelden, omdat voorschotbedragen ten onrechte zijn voldaan en [gedaagde partij] in tegenstelling tot de gemaakte afspraken een bedrag heeft ingehouden op een door [eisende partij] ontvangen slotuitkering. [gedaagde partij] voert als verweer dat hij met [eisende partij] een honorarium is overeengekomen, zodat hij de bedragen niet hoeft terug te betalen. De kantonrechter zal de vordering toewijzen en zal dat in het navolgende toelichten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de rolbeslissing van 19 november 2025
- de brief van 22 december 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 2 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De kantonrechter heeft bij voormelde rolbeslissing op verzoek van [eisende partij] beslist om een mondelinge behandeling te bepalen. Bij brief van 22 december 2025 zijn partijen opgeroepen voor de terechtzitting van 2 juni 2026. Tijdens de mondelinge behandeling is [gedaagde partij] echter, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De kantonrechter heeft ook geen bericht van verhindering van hem ontvangen. Daarom zijn de geschilpunten zonder hem besproken.
1.3.
Daarna is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 9 augustus 2019 is [eisende partij] betrokken geraakt bij een verkeersongeval, waarvoor door Achmea Schadeverzekeringen N.V. (hierna: Achmea) volledige aansprakelijkheid voor het ontstaan van het ongeval is erkend.
2.2.
In verband met de letselschadezaak c.q. het verhalen van de schade heeft [eisende partij] uiteindelijk [gedaagde partij] ingeschakeld voor rechtsbijstand.
2.3.
Bij brief van 1 maart 2018 heeft [gedaagde partij] een opdrachtbevestiging aan [eisende partij] gestuurd. In deze brief is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“(…) in casu hanteer ik het standaard spoedtarief van € 225,- p/u. exclusief 7 % kantoorkosten en 21 % BTW. U wordt voorlopig enkel belast met een voorschot van € 1.500,- exclusief aangezien uw wederpartij, in casu Achmea aansprakelijk is voor al uw noodzakelijke juridische onkosten. (…)
Inzake uw in te vorderen hoofdsommen aan letselschade en bedrijfsschade, geldt steeds het standaard incassotarief van 15 % exclusief, alsmede over alle nevenvorderingen, schadevergoedingen en/of claims jegens de wederpartij/Achmea en/of derden.”
2.4.
Op 6 maart, 12 maart, 27 maart en 21 augustus 2018 heeft [eisende partij] aan [gedaagde partij] een bedrag van in totaal € 3.236,75 aan voorschotbetalingen betaald.
2.5.
In januari 2019 hebben Achmea en [gedaagde partij] namens [eisende partij] betreffende de afwikkeling van de schade van [eisende partij] een vaststellingsovereenkomst gesloten, met onder meer de volgende inhoud:

1. De schade van de heer [eisende partij] stellen we in deze overeenkomst vast op €112.500,00 (honderdtwaalfduizendvijfhonderd euro). Hierbij gaat het om schade die de heer
[eisende partij] door het ongeval kreeg of in de toekomst nog krijgt.
2. Achmea betaalt aan de heer [eisende partij] een slotuitkering van € 65.000,00. Dit bedrag bestaat uit het bedrag van punt 1 (€ 112.500,00) min de voorschotten. De voorschotten waren in totaal € 47.500,00.
3. Achmea betaalt de slotuitkering direct nadat Achmea de getekende overeenkomst ontvangt. Achmea maakt de slotuitkering over op rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [gedaagde partij] .
4. De heer [eisende partij] geeft aan naast de punten 1,2 en 3 niets meer te eisen aan materiële en immateriële schade. Hierbij gaat het om schade die de heer [eisende partij] door het ongeval kreeg of in de toekomst nog krijgt. (…)”
2.6.
Op 4 maart 2019 heeft Achmea de slotuitkering ten bedrage van € 65.000,00 aan [gedaagde partij] uitgekeerd, waarna [gedaagde partij] op 28 maart 2019 na inhouding van een bedrag van
€ 11.765,13 een bedrag van € 53.234,87 heeft betaald aan [eisende partij] .
2.7.
Op 13 mei 2019 heeft Achmea aan [eisende partij] onder meer bericht dat zij een beroep doet op de verleende finale kwijting en dat zij aan [gedaagde partij] een bedrag van € 26.452,46 aan buitengerechtelijke kosten heeft betaald.
2.8.
In de periode vanaf 3 mei 2019 tot en met 19 maart 2024 heeft [eisende partij] geprobeerd om een bedrag van in totaal € 15.001,88 van [gedaagde partij] te incasseren, waarbij namens [eisende partij] op 9 januari 2024 de verjaringstermijn is gestuit. [gedaagde partij] heeft geweigerd om de aan hem betaalde bedragen terug te betalen.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van een bedrag van in totaal € 15.001,88, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde partij] voert verweer en concludeert tot nietigheid van de dagvaarding dan wel tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de werkelijke kosten van deze procedure op te maken bij schadestaat.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Nietigheid van de dagvaarding
4.1.
[gedaagde partij] stelt primair dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard, omdat de dagvaarding niet alle relevante stukken bevat en daarmee onvolledig is met het vermelden van alle relevante feiten zoals vereist is volgens artikel 21 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Verder stelt [gedaagde partij] dat sprake van strijd met de substantiëringsplicht ex artikel 111 lid 3 Rv Pro.
[eisende partij] heeft de stellingen van [gedaagde partij] betwist.
4.2.
De kantonrechter overweegt dat partijen op grond van artikel 21 Rv Pro verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. [gedaagde partij] heeft in dit verband naar voren gebracht dat [eisende partij] verzuimd heeft om naar voren te brengen dat sprake is van een frauderende dagvaardingsopzet vanwege het verkrijgen van een particuliere toevoeging voor kosteloze rechtsbijstand, waardoor hij over een periode van zes jaar overheidsfinanciën kan blijven uitwinnen. Gelet op de inhoud van de dagvaarding en de voorliggende geschilpunten ontbreekt naar het oordeel van de kantonrechter iedere relevantie van het gestelde verzuim voor de beoordeling van het geschil, nog daargelaten dat [eisende partij] de stelling van [gedaagde partij] heeft betwist. Het verweer van [gedaagde partij] zal dan ook worden gepasseerd.
4.3.
Op grond van artikel 111 lid 3 Rv Pro vermeldt het exploot van dagvaarding onder andere de door gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor. [gedaagde partij] stelt in dit verband dat in de dagvaarding onvoldoende is ingegaan op de standpunten van [gedaagde partij] en diens advocaat sinds januari 2020. De kantonrechter ziet daartoe onvoldoende grond, nu het verweer van [gedaagde partij] afzonderlijk in de dagvaarding is vermeld en het verweer ook impliciet in de overige onderdelen van de dagvaarding aan de orde komt. Daarnaast heeft te gelden dat op grond van artikel 120 lid 4 Rv Pro niet de nietigheid kan worden uitgesproken over hetgeen is voorgeschreven in artikel 111, derde lid Rv, zodat het verweer zal worden gepasseerd.
Terugbetaling van de voorschotbetalingen en de inhouding op schadevergoeding
4.4.
[eisende partij] stelt dat [gedaagde partij] ten aanzien van de voorschotbetalingen tekort is geschoten in zijn verplichting om deze terug te betalen conform de tussen hen gesloten overeenkomst van opdracht. Afgesproken was dat de kosten voor rechtsbijstand zouden worden verhaald op Achmea, onder de voorwaarde dat [eisende partij] een of meerdere voorschotbetalingen doet aan [gedaagde partij] voor de werkzaamheden die door [gedaagde partij] na uitbetaling van de kosten van rechtsbijstand/buitengerechtelijke kosten door Achmea zouden worden terugbetaald. [gedaagde partij] had volgens [eisende partij] toegezegd dat hij geen (aanvullende) kosten voor rechtsbijstand zou maken.
4.5.
Ten aanzien van de inhouding op de slotuitkering stelt [eisende partij] primair dat sprake is van onverschuldigde betaling, omdat er geen rechtsgrond is voor de inhouding op de uitkering en dat sprake is van onrechtmatig handelen. Subsidiair stelt [eisende partij] dat sprake is van nietigheid dan wel vernietigbaarheid van de overeenkomst. Meer subsidiair stelt [eisende partij] dat de door Achmea aan [gedaagde partij] betaalde vergoeding geen deel uitmaakt van de prijsafspraak van 15 % en dat [gedaagde partij] daarom ongerechtvaardigd is verrijkt.
4.6.
[gedaagde partij] heeft verweer gevoerd en stelt dat hij met [eisende partij] op 1 maart 2018 een overeenkomst van opdracht heeft gesloten waarbij een vast uurtarief is overeengekomen van € 225,00 exclusief 7 % kantoorkosten en 21 % btw met daarbij een vooraf te betalen voorschot en daarnaast een incassotarief van 15 % exclusief 21 % btw over alle in te vorderen schadevergoedingen, geldsommen en/of claims. [gedaagde partij] verwijst daarbij naar de opdrachtbevestiging van 1 maart 2018. Het staat bedrijfsmatige partijen vrije afspraken te maken en deze zijn leidend en bovendien redelijk en ook gebruikelijk, aldus [gedaagde partij] .
Ambtshalve toetsing aan Europees Recht
4.7.
Partijen verschillen van mening over de vraag of zij al dan niet een prijsafspraak hebben gemaakt over de werkzaamheden van [gedaagde partij] in het kader van de tussen hen overeengekomen overeenkomst van opdracht. Gelet op het inhoudelijke verweer van de zijde van [gedaagde partij] , zou het aankomen op een bewijslevering door [eisende partij] , ware het niet dat dat de kantonrechter in dit geval eerst verplicht is om te toetsen of sprake is van een overeenkomst gesloten met een consument, omdat in het bevestigende geval Europese wetgeving daarover leidend is.
4.8.
[gedaagde partij] heeft zich in zijn conclusie van antwoord op het standpunt gesteld dat [eisende partij] de overeenkomst van opdracht in de uitvoering van zijn bedrijf heeft gesloten en niet als consument. [eisende partij] stelt dat hij de overeenkomst van opdracht als consument heeft gesloten en heeft daarover tijdens de mondelinge behandeling het volgende toegelicht. [eisende partij] heeft tijdens een rit met zijn privéauto een verkeersongeluk gekregen, waarbij hij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In verband met de afwikkeling van de schade met de verzekeraar Achmea heeft [eisende partij] in privé [gedaagde partij] ingeschakeld voor rechtsbijstand bij de schadeafwikkeling. De schadeafwikkeling met Achmea ging hoofdzakelijk om letselschade en mogelijk inkomensverlies. Deze toelichting is door [gedaagde partij] niet weersproken, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat. Verder blijkt uit stukken behorend tot het dossier dat [gedaagde partij] zijn facturen en brieven hoofdzakelijk naar [eisende partij] in privé heeft gestuurd; ook de vaststellingsovereenkomst met Achmea is gesloten op naam van [eisende partij] in privé en ziet op
“schade die de heer [eisende partij] door het ongeval kreeg of in de toekomst nog krijgt.Gelet op voormelde feiten en omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat [eisende partij] de overeenkomst van opdracht als consument heeft overeengekomen, zodat moet worden getoetst of het kostenbeding valt onder de richtlijn 93/13/EEG (‘de Richtlijn’) en, zo ja, of dat het beding oneerlijk is.
4.9.
De Richtlijn oneerlijke bedingen is niet rechtstreeks van toepassing in de Nederlandse rechtsorde. Een richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht brengt mee dat de Nederlandse rechter op grond van art. 6:233 BW Pro gehouden is een beding te vernietigen indien hij vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van die richtlijn. [1] De rechter is in dit verband gehouden ambtshalve na te gaan of een contractueel beding dat het voorwerp vormt van het aan hem voorgelegde geding, binnen de werkingssfeer van de Richtlijn valt. Uit artikel 3 lid 1 Richtlijn Pro blijkt dat daarvoor onder meer is vereist dat over het beding niet afzonderlijk is onderhandeld. [2]
4.10.
[eisende partij] heeft zowel in de dagvaarding als tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat het beding waarop [gedaagde partij] zich beroept, niet met hem of met zijn echtgenote is besproken, noch telefonisch noch tijdens afspraken op kantoor. Alleen besproken was dat kosten door Achmea zouden worden voldaan en dat het betaalde voorschot door [gedaagde partij] aan [eisende partij] zou worden terugbetaald.
[gedaagde partij] stelt onder verwijzing naar de opdrachtbevestiging dat dit tarief wel is overeengekomen, waarbij bovendien heeft te gelden dat hij dit beding vaker gebruikt, getuige zijn algemene voorwaarden en een uitspraak van deze rechtbank van 11 december 2019 waarbij volgens hem sprake was van een identieke casus. [eisende partij] moet worden geacht te hebben ingestemd nu niet gebleken is dat iets anders is afgesproken, aldus [gedaagde partij] .
4.11.
Voor de beoordeling van de vraag of over het beding is onderhandeld, overweegt de kantonrechter dat [eisende partij] uitdrukkelijk heeft betoogd dat niet is onderhandeld over het beding. [gedaagde partij] heeft in dit kader alleen verwezen naar de opdrachtbevestiging, zonder aan te geven of er al dan niet over het beding was onderhandeld. Gelet hierop heeft [gedaagde partij] de stellingen van [eisende partij] onvoldoende weersproken, zodat ook de kantonrechter ervan uitgaat dat van onderhandeling geen sprake was. Dit betekent dat het beding onder de Richtlijn valt.
4.12.
In de opdrachtbevestiging is als loon enerzijds het te hanteren (spoed)uurtarief en anderzijds een incassotarief opgenomen. De kantonrechter kwalificeert beide bepalingen als los van elkaar staande kostenbedingen en daarmee als een kernbeding in de zin van de Richtlijn. Het betreft hier immers de kern van de prestaties over en weer. Kernbedingen moeten duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd in de zin van artikel 4 lid 2 van Pro de Richtlijn, het zogenaamde transparantievereiste. Als het kostenbeding aan dit vereiste niet voldoet en dus niet duidelijk en begrijpelijk (transparant) geformuleerd is, moet beoordeeld worden of dit beding al dan niet oneerlijk/onredelijk bezwarend is (artikel 6:231 onder Pro a en artikel 6:233 BW Pro).
4.13.
Voor de beoordeling of in dit geval het beding aan het vereiste van transparantie voldoet, is het arrest van het Europees Hof van Justitie van 12 januari 2023 (ECLI:EU:C: 2023:14) van belang. In dit arrest heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het enkel noemen van het uurtarief door de advocaat de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen. De advocaat dient de consument voordat de overeenkomst wordt gesloten informatie te verstrekken die de consument in staat stelt zijn beslissing met de nodige voorzichtigheid te nemen. Die informatie, die kan variëren naargelang het voorwerp en de aard van de juridische diensten, moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen de totale kosten bij benadering te ramen. Hierbij kan gedacht worden aan een raming van het minimaal aantal uren of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het reeds genoemde aantal gepresteerde werkuren wordt vermeld. Het Hof van Justitie heeft verder overwogen dat het enkele feit dat het kostenbeding niet transparant is, niet betekent dat het als oneerlijk moet worden beschouwd. [3]
4.14.
Uit de opdrachtbevestiging blijkt dat [gedaagde partij] slechts een uurtarief en een incassotarief heeft genoemd. Er is daarbij geen indicatie gegeven van de uiteindelijke of te verwachten hoogte van die bedragen. Wel heeft [gedaagde partij] in de opdrachtbevestiging aangegeven dat [eisende partij] voorlopig alleen werd belast met een voorschot omdat Achmea aansprakelijk is voor alle noodzakelijke juridische onkosten. Naar het oordeel van de kantonrechter suggereert deze zinsnede dat [eisende partij] geen kosten voor rechtsbijstand hoefde te verwachten. Dit maakt het eerste kostenbeding voldoende transparant.
4.15.
Uit het handelen van [gedaagde partij] volgt dat uit het tweede kostenbeding juist een (indirecte) betalingsverplichting voor [eisende partij] volgt, bestaande uit een soort ‘succesfee’. In het beding staat echter niet (duidelijk) uitgelegd dat – ondanks dat Achmea aansprakelijk is voor alle noodzakelijke juridische kosten – [eisende partij] daarnaast toch nog een vergoeding aan [gedaagde partij] moet betalen. Het woordje “daarnaast” of daarbovenop” komt in de tekst niet voor. Enkel wordt vermeld dat “inzake de in te vorderen hoofdsommen aan letselschade en bedrijfsschade steeds een incassotarief van 15% geldt”. Voor een consument is niet zonder meer duidelijk dat hiermee bedoeld wordt dat hij dus nog 15% moet afrekenen aan [gedaagde partij] over het bedrag dat hij uiteindelijk als schadevergoeding ontvangt van de verzekeraar. Hooguit kan dit beding worden gezien als een mededeling aan de consument van de hoogte van het te hanteren incassotarief. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het tweede kostenbeding onvoldoende transparant is.
4.16.
Vervolgens moet worden beoordeeld of het beding onredelijk bezwarend is.
4.17.
Hiervoor is overwogen dat het beding niet transparant is, omdat [eisende partij] op grond van de tekstuele uitleg van het beding niet had hoeven begrijpen dat er uit dit beding een (indirecte) betalingsverplichting volgt. Daarbij leidt de toepassing van het beding ertoe dat [gedaagde partij] dubbel kon declareren, namelijk de succesfee bovenop het tussen partijen afgesproken loon. Dit betekent dat [eisende partij] als consument zou worden belast met extra kosten en wel met een percentage van maar liefst 15 % over het uiteindelijke ontvangen schadevergoedingsbedrag, terwijl we ervan uit moeten gaan dat het loon van [gedaagde partij] voor al zijn verrichte werkzaamheden is gedekt door de uitbetaling van Achmea aan [gedaagde partij] . Daarnaast volgt uit de Gedragscode Behandeling Letselschadezaken (versie 2020) dat dubbel declareren in de letselschadebranche niet gebruikelijk is en zelfs ontoelaatbaar. Artikel 1 uit Pro de Gedragscode schrijft voor:
‘Het is onethisch en onaanvaardbaar indien een belangenbehartiger dubbel zou declareren, door bijvoorbeeld aan de benadeelde een percentage van de schadevergoeding in rekening te brengen en tegelijkertijd een honorarium te factureren aan de verzekeraar.”Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het beding het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen tussen handelaar en consument ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort, waarop [eisende partij] als consument niet bedacht hoefde te zijn. Het kostenbeding ter zake het incassotarief moet worden aangemerkt als een oneerlijk beding.
4.18.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij] in zijn antwoord geen standpunt heeft ingenomen over de vraag of het door hem te hanteren prijsbeding als onredelijk bezwarend moet worden beschouwd, zodat zich de vraag voordoet of [gedaagde partij] in de gelegenheid moet worden gesteld om zich daarover alsnog uit te laten. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet hoeft. Middels een rolbeslissing is besloten een mondelinge behandeling te gelasten, waarna [gedaagde partij] per brief is opgeroepen voor de zitting van 2 juni 2026. Tijdens de mondelinge behandeling is aandacht besteed aan de vraag naar de (on)redelijkheid van het kostenbeding. Had [gedaagde partij] aanwezig geweest dan had hij daarover zijn standpunt kenbaar kunnen maken. Als advocaat moet [gedaagde partij] zich ervan bewust zijn dat de vraag naar de toepasselijkheid van consumentenrecht en het ambtshalve toetsen van bedingen aan de orde kan komen tijdens de mondelinge behandeling, zeker nu [gedaagde partij] meermaals expliciet het standpunt heeft ingenomen in de conclusie van antwoord dat het niet gaat om een consument. Dat [gedaagde partij] niet is verschenen en aldus niet heeft kunnen reageren op de vragen over ambtshalve toetsing, dient dan ook voor zijn rekening en risico te komen.
4.19.
Het voorgaande betekent dat de kantonrechter het kostenbeding op grond van artikel 6:233 sub a BW Pro zal vernietigen. Dit heeft als gevolg dat dit kostenbeding wordt geacht nooit te hebben bestaan.
4.20.
Het beding dat ziet op het afgesproken loon blijft bestaan, zodat de kantonrechter van oordeel is dat de overeenkomst van opdracht kan blijven voortbestaan zonder het vernietigde incassokostenbeding. Het kostenbeding ter zake het incassotarief staat niet in ‘onverbrekelijk verband’ met de overige inhoud van de overeenkomst, omdat een bepaling omtrent de vergoeding van het loon van [gedaagde partij] blijft bestaan. [gedaagde partij] behoudt zijn loon op basis van het genoemde uurtarief dat hij vergoed krijgt van de verzekeraar. Voor de consument is die bepaling niet oneerlijk.
Terug betalen bedragen
4.21.
Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat de grondslag om aan [eisende partij] – naast de vergoeding van Achmea – een bedrag ter hoogte van 15% van het uitbetaalde schadebedrag in rekening te brengen door de vernietiging van het beding is komen te vervallen. Dit betekent in beginsel dat [gedaagde partij] het gevorderde bedrag van € 11.765,13 moet terugbetalen. Dat geldt ook voor het bedrag van in totaal € 3.236,75 aan door [eisende partij] aan [gedaagde partij] betaalde voorschotbedragen. [gedaagde partij] heeft niet weersproken dat [eisende partij] dit bedrag aan hem heeft betaald als voorschot op zijn honorarium. Ook heeft [gedaagde partij] niet dan wel onvoldoende weersproken dat de afspraak was dat [eisende partij] dat voorschotbedrag terug zou ontvangen indien Achmea het honorarium van [gedaagde partij] zou vergoeden. Naar het oordeel van de kantonrechter staat daarmee voldoende vast dat het betaalde voorschot wordt geacht deel uit te maken van het bedrag van € 26.452,46 dat [gedaagde partij] uiteindelijk van Achmea heeft ontvangen als vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Het bedrag moet daarom als onverschuldigd betaald terug worden betaald door [gedaagde partij] aan [eisende partij] .
Beroep op verjaring
4.22.
[gedaagde partij] heeft tot slot nog een beroep gedaan op verjaring van de vorderingen van [eisende partij] ex artikel 3:52 BW Pro.
4.23.
In dit geval is het kostenbeding ter zake het incassotarief van 15 % vernietigd op grond van artikel 6:233 sub a BW Pro. Voor dit artikel geldt de verjaringstermijn van artikel 3:52 BW Pro van drie jaar, waarbij de termijn op grond van 6:235 lid 4 BW begint te lopen op het moment dat de gebruiker een beroep op het beding doet. In deze zaak is echter, zoals in rechtsoverweging 4.1 is overwogen, de Richtlijn (93/13/EEG) toepassing. De Richtlijn verzet zich tegen een verjaringstermijn voor de vordering van de consument tot vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding. Dit betekent echter niet dat er geen verjaringstermijn geldt voor de vordering van de consument tot terugbetaling van hetgeen is betaald op grond van een oneerlijk beding, maar wel op de voorwaarde dat het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel worden geëerbiedigd.
4.24.
De kantonrechter overweegt dat, omdat het kostenbeding ter zake het incassotarief niet meer bestaat, de grondslag voor de betaling van het bedrag aan kosten rechtsbijstand is komen te vervallen en dat deze kosten door [eisende partij] onverschuldigd zijn betaald op grond van artikel 6:203 BW Pro. Artikel 3:309 BW Pro bepaalt dat een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan.
4.25.
Het is echter de vraag vanaf wanneer in een dergelijk geval de verjaringstermijn gaat lopen: vanaf het moment dat [eisende partij] bekend is geworden met de vordering of vanaf het moment van betaling van het bedrag op 28 maart 2019. Tijdens de mondelinge behandeling is voor het eerst gesproken over de mogelijke vernietigbaarheid van het kostenbeding, zodat [eisende partij] feitelijk pas vanaf dat moment op de hoogte was, althans kon zijn, van de als gevolg van de vernietiging van het kostenbeding ontstane vordering. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat het aanvangsmoment voor de verjaring ten aanzien van de inhouding op de slotuitkering moet zijn het tijdstip van de mondelinge behandeling, zijnde 2 juni 2026. De kantonrechter merkt daarbij overigens op dat ook als ervan wordt uitgegaan dat de verjaringstermijn begint te lopen vanaf de datum waarop de inhouding op de slotuitkering is verricht, te weten op 28 maart 2019, de vordering niet is verjaard. Onweersproken is gebleven dat de verjaring van de vordering op 9 januari 2024 is gestuit, zodat de vordering van [eisende partij] gezien de verjaringstermijn van 5 jaar tijdig is gestuit en van verjaring geen sprake is.
4.26.
Ten aanzien van de terugbetaling van de betaalde voorschotbedragen overweegt de kantonrechter dat deze kosten eveneens door [eisende partij] onverschuldigd zijn betaald op grond van artikel 6:203 BW Pro. Hierdoor geldt ook ten aanzien van de voorschotbedragen de verjaringstermijn vermeld in artikel 3:309 BW Pro. [4] De vraag doet zich vervolgens voor wat ten aanzien van de voorschotbedragen het aanvangsmoment voor de verjaring zou moeten zijn. In rechtsoverweging 4.21 is al geoordeeld dat de betaalde voorschotten geacht worden deel uit te maken van het bedrag van € 26.452,46 dat [gedaagde partij] van Achmea als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten heeft ontvangen. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat als aanvangsmoment bepalend is de datum waarop deze kosten door Achmea aan hem zijn betaald. Op dat moment heeft [gedaagde partij] , zo begrijpt de kantonrechter, de voorschotbedragen verrekend met de totale kosten, in die zin dat hij meende dat hij niets meer hoefde terug te betalen.
4.27.
Per e-mailbericht van 19 mei 2019 heeft Achmea aan [eisende partij] bericht dat Achmea aan [gedaagde partij] het bedrag van € 26.452,46 aan buitengerechtelijke kosten heeft betaald. Onduidelijk is gebleven op welke datum dit is geweest, maar gelet op de uitbetaling van de slotuitkering op 4 maart 2019 aan [gedaagde partij] zal het op om omstreeks die datum hebben gelegen. Gebleken is echter dat [gedaagde partij] de slotuitkering pas op 28 maart 2019 heeft overgemaakt aan [eisende partij] . De kantonrechter acht het daarom redelijk om voor de bepaling van het aanvangsmoment voor de verjaring uit gaan van laatstgenoemde datum, nu [eisende partij] vanaf dat moment daadwerkelijk bekend had kunnen zijn met de vordering. Onweersproken is gebleven dat [eisende partij] de verjaring van de vordering op 9 januari 2024 heeft gestuit, zodat de vordering van [eisende partij] gezien de verjaringstermijn van 5 jaar tijdig is gestuit en dus niet is verjaard. Het verweer van [gedaagde partij] zal dan ook worden gepasseerd.
Conclusie
4.28.
De vordering tot betaling van het bedrag van in totaal € 15.001,88 is toewijsbaar.
De gevorderde wettelijke rente acht de kantonrechter eveneens toewijsbaar, met dien verstande dat de wettelijke rente over het bedrag van € 11.765,13 toewijsbaar is vanaf de datum van het vonnis, omdat vanaf dat moment sprake is van een vernietiging van het kostenbeding terzake het incassotarief en de vordering ook vanaf dat moment is ontstaan.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.29.
[eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eisende partij] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eisende partij] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 925,02 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. Omdat [eisende partij] niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
4.30.
[gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.243,45
4.31.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 15.001,88, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het bedrag van
€ 3.236,75 met ingang van 20 mei 2019 tot de dag van de volledige betaling en over het bedrag van € 11.765,13 vanaf de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 925,02 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.243,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.

Voetnoten

1.HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:773 en HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691.
2.HvJ EU 9 november 2010, zaak C-137/08, ECLI:EU:C:2010:659 (VB Pénzügyi Lízing) en HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691.
3.Hof Amsterdam 26 november 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3269
4.Zie rechtsoverweging 4.24.