ECLI:NL:RBZWB:2026:6357

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/600
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 WBRArt. 67c AWRparagraaf 24 BBBB
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cultuurgrondvrijstelling overdrachtsbelasting en matiging verzuimboete

Belanghebbende heeft in 2018 een woonhuis met cultuurgrond gekocht en voor het cultuurgronddeel een vrijstelling overdrachtsbelasting toegepast. Bij verkoop in 2020 heeft de koper geen beroep gedaan op deze vrijstelling, waarna de inspecteur naheffingsaanslag, belastingrente en verzuimboete oplegde.

De rechtbank beoordeelt of de cultuurgrondvrijstelling terecht is toegepast. De rechtbank volgt de Hoge Raad dat voor vrijstelling sprake moet zijn van bedrijfsmatige exploitatie ten behoeve van landbouw, waarbij een daadwerkelijke fokkerij vereist is. Belanghebbende stelde dat sprake was van een paardenfokkerij, maar kon dit niet aannemelijk maken. De inspecteur toonde aan dat de grond niet als landbouwgrond werd gebruikt en dat de paarden niet voor fokkerij bestemd waren.

De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. De belastingrente wordt verminderd met € 97 omdat de inspecteur dit bedrag ambtshalve heeft teruggegeven. De verzuimboete wordt gematigd van 10% naar het minimum van € 50, omdat belanghebbende redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de vrijstelling niet meer van toepassing was, maar wel werd misleid door de koper.

De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende. Het beroep wordt gegrond verklaard voor zover het de belastingrente en verzuimboete betreft, en afgewezen voor het overige.

Uitkomst: De naheffingsaanslag overdrachtsbelasting wordt bevestigd, belastingrente en verzuimboete worden verminderd en proceskosten worden aan belanghebbende toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/600

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 19 december 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 6 september 2024 een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd van € 2.862 (aanslagnummer [aanslagnummer] ).
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 555 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en belanghebbende een verzuimboete van € 286 opgelegd.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, en namens de inspecteur: [inspecteur 1] . mr. [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] .

Feiten

2. Belanghebbende heeft per 23 februari 2018 de eigendom gekregen van een woonhuis met bedrijfsgebouwen, ondergrond, tuin, cultuurgrond en verdere toebehoren gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: het onroerend goed). Van de koopsom van € 220.000 is € 47.700 toegerekend aan cultuurgrond. Voor dit bedrag heeft belanghebbende in de aangifte overdrachtsbelasting een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15, eerste lid onderdeel q van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: de cultuurgrondvrijstelling).
2.1.
Op 3 juli 2020 heeft belanghebbende het onroerend goed met de cultuurgrond verkocht. In de aangifte overdrachtsbelasting is door de kopende partij geen beroep gedaan op de cultuurgrondvrijstelling.
2.2.
De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat per 3 juli 2020 niet langer door belanghebbende wordt voldaan aan de voorwaarden van de cultuurgrondvrijstelling en heeft de betreffende overdrachtsbelasting nageheven. Tevens heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op de cultuurgrondvrijstelling. Tevens beoordeelt de rechtbank of de belastingrentebeschikking en de verzuimboete terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende geen recht op de cultuurgrondvrijstelling en is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. De belastingrentebeschikking en de verzuimboete zullen echter worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Motivering

Naheffingsaanslag
4. De vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel q van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR) geldt voor ten behoeve van de landbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond. Het moet daarbij gaan om gronden die bestemd zijn voor agrarisch gebruik, zoals landbouw, tuinbouw, veeteelt of bosbouw. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 november 2014 beslist dat van een veehouderij geen sprake is bij activiteiten die bestaan uit het verlenen van diensten met betrekking tot dieren, zoals de tijdelijke terbeschikkingstelling van dieren (bijvoorbeeld rijpaarden) of het bieden van onderdak aan dieren (bijvoorbeeld een dierenpension). Beslissend is of de dieren of de producten die de dieren voortbrengen voor de verkoop zijn bestemd. [1] Hoewel dit arrest is gewezen in het kader van de vrijstelling voor cultuurgrond in de onroerendezaakbelasting, acht de rechtbank dit arrest ook van belang voor toepassing van de cultuurgrondvrijstelling in de WBR gelet op de overeenkomsten tussen de vrijstellingen.
4.1.
Belanghebbende heeft in 2018 de cultuurgrondvrijstelling in zijn aangifte overdrachtsbelasting toegepast. Volgens artikel 15, eerste lid, onderdeel q, van de WBR is de belasting alsnog verschuldigd indien de zodanige exploitatie niet gedurende ten minste tien jaar wordt voortgezet. Naar het oordeel van de rechtbank is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat in die tien jaar aan de voorwaarden voor toepassing van de cultuurgrondvrijstelling is voldaan.
4.2.
Vast staat dat de kopende partij in de aangifte overdrachtsbelasting geen beroep heeft gedaan op de cultuurgrondvrijstelling. Volgens belanghebbende wordt de grond echter wel feitelijk ten behoeve van de landbouw gebruikt. Belanghebbende heeft gesteld dat sprake is van een paardenfokkerij. De betreffende gronden worden volgens belanghebbende gebruikt voor hooi en stro en als weiland voor de paardenfokkerij. Belanghebbende verwijst daarvoor naar een verklaring uit 2024 van de koper, die behoort tot de stukken van het geding. In deze verklaring staat onder andere het volgende.
“Hierbij verklaart ondergetekende, (…), dat zij aan de [adres] een paardenhouderij heeft waarbij paarden worden gehouden voor de fokkerij, paarden worden getraind en pensionstalling voor paarden wordt aangeboden.(…)”
Belanghebbende verwijst verder naar de registratie van vijf paarden bij de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) en een verklaring van de dierenarts waarbij een van die paarden is onderzocht op drachtigheid.
4.3.
De inspecteur stelt daar het volgende tegenover. Allereerst ziet de inspecteur in het feit dat de kopende partij geen beroep heeft gedaan op de cultuurgrondvrijstelling een aanwijzing dat niet meer is voldaan aan de voorwaarden voor de cultuurgrondvrijstelling voor belanghebbende.
Tevens verwijst de inspecteur naar de bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) opgevraagde gegevens, waaruit de inspecteur concludeert dat de betreffende percelen in de jaren 2019 tot en met 2022 slechts deels geregistreerd zijn bij de RVO als bedrijfsmatig gebruikte landbouwgronden en vanaf 2023 in het geheel niet meer.
De inspecteur verwijst verder naar informatie over het bedrijf van de koper. Deze informatie is afkomstig van het internet, waarvan prints behoren tot de stukken van het geding. In deze stukken wordt enkel gesproken over een pensionstal en training/coaching van paarden en ruiters en niet over een fokkerij.
Wat betreft de registratie bij de RVO van de paarden verwijst de inspecteur naar de website van de RVO, waaruit volgt dat ieder gehouden paard dient te worden geregistreerd, ook paarden die bijvoorbeeld hobbymatig worden gehouden, en niet enkel paarden die gehouden worden voor een fokkerij.
Tot slot heeft de inspecteur stukken overgelegd van [database] , waaruit volgens de inspecteur volgt dat geen van de vijf paarden een afstammelingen heeft voortgebracht. Volgens de inspecteur wordt dit bevestigd door de verklaring van de dierenarts waarin is opgenomen dat een van die paarden niet drachtig was.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met hetgeen hij heeft aangevoerd de stellingen van belanghebbende gemotiveerd betwist. Belanghebbende stelt dat sprake is van een paardenfokkerij en wijst daarbij op de verklaring van de koper, maar er zijn geen andere gegevens waaruit volgt dat ook daadwerkelijk is gefokt met paarden. Gelet op hetgeen de inspecteur heeft gesteld, kan uit de registratie van paarden bij de RVO niet worden afgeleid dat sprake is van een fokkerij. Dat een paard is gecontroleerd op drachtigheid betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat een eventueel veulen ook voor de verkoop zou zijn bestemd, zoals door de Hoge Raad beslissend wordt geacht (zie 4.). Nergens uit volgt dat een fokkerij niet alleen een intentie was maar ook daadwerkelijk ten uitvoer is gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met wat zij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag sprake was van ten behoeve van de landbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond. Dit betekent dat de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Voor dat geval is de hoogte van de naheffingsaanslag niet in geschil.
Belastingrente
4.5.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. De inspecteur heeft in het verweerschrift aangegeven dat de belastingrente met € 97 dient te worden verminderd. De inspecteur heeft dit bedrag ambtshalve aan belanghebbende teruggegeven. De rechtbank ziet geen aanleiding voor verdere vermindering van de belastingrente en zal de belastingrentebeschikking overeenkomstig vaststellen.
Verzuimboete
4.6.
De inspecteur heeft belanghebbende een verzuimboete opgelegd in de zin van artikel 67c, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in samenhang met paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB). De boete is opgelegd wegens het niet tijdig voldoen van de verschuldigde overdrachtsbelasting omdat er te weinig is aangegeven.
4.7.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en dat belanghebbende de verschuldigde overdrachtsbelasting had moeten aangeven, omdat toen niet meer aan de voorwaarden voor de cultuurgrondvrijstelling werd voldaan. Belanghebbende heeft gesteld dat er geen sprake is van een vooropgezet plan of een tekortkoming. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
4.8.
Voor het opleggen van een verzuimboete is opzet of grove schuld niet vereist. Enkel de constatering dat de belasting niet tijdig is voldaan geeft een mogelijkheid een verzuimboete op te leggen. Wel dient een boete achterwege te blijven indien sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Daarvan kan sprake zijn als een belanghebbende stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat hij alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat het verschuldigde bedrag tijdig op de rekening van de belastingdienst zou zijn bijgeschreven. [2]
4.9.
Belanghebbende heeft gesteld dat de kopers hebben aangegeven dat sprake is van een paardenfokkerij, maar heeft daar geen nader onderzoek naar gedaan. Uit het gegeven dat de kopende partij geen beroep deed op de cultuurgrondvrijstelling, had belanghebbende kunnen afleiden dat in de resterende looptijd mogelijk niet zou worden voldaan aan de voorwaarden voor de cultuurgrondvrijstelling. Er is ook geen kettingbeding opgenomen in de overeenkomst waardoor de kopers zouden worden bewogen aan die voorwaarden te blijven voldoen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van avas. De boete is terecht aan belanghebbende opgelegd.
4.10.
Wel is de rechtbank van oordeel dat een boete van 10% niet passend en geboden is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende onbetwist heeft gesteld dat de kopende partij hem heeft voorgehouden een paardenfokkerij te hebben. Hierin ziet de rechtbank reden de boete te matigen naar het minimum van € 50.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond voor zover het de belastingrentebeschikking en de verzuimboete betreft. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft en de belastingrentebeschikking en verzuimboete zullen worden verminderd. De inspecteur moet tevens het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten.
5.1.
Belanghebbende heeft aangegeven een bedrag van € 25 aan reis- en verblijfskosten en een bedrag van € 380 aan verletkosten te hebben gemaakt. De inspecteur heeft verklaard met deze bedragen akkoord te zijn. De rechtbank zal de proceskostenvergoeding dienovereenkomstig vaststellen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de belastingrentebeschikking en de verzuimboete;
- vermindert de belastingrente naar een bedrag van € 458;
- vermindert de verzuimboete naar een bedrag van € 50;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 385 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 405 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. I.E. Rijsdijk-van Eerd, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Voetnoten

1.HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3197.
2.Zie o.a. HR 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7184.