ECLI:NL:RBZWB:2026:6357
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling cultuurgrondvrijstelling overdrachtsbelasting en matiging verzuimboete
Belanghebbende heeft in 2018 een woonhuis met cultuurgrond gekocht en voor het cultuurgronddeel een vrijstelling overdrachtsbelasting toegepast. Bij verkoop in 2020 heeft de koper geen beroep gedaan op deze vrijstelling, waarna de inspecteur naheffingsaanslag, belastingrente en verzuimboete oplegde.
De rechtbank beoordeelt of de cultuurgrondvrijstelling terecht is toegepast. De rechtbank volgt de Hoge Raad dat voor vrijstelling sprake moet zijn van bedrijfsmatige exploitatie ten behoeve van landbouw, waarbij een daadwerkelijke fokkerij vereist is. Belanghebbende stelde dat sprake was van een paardenfokkerij, maar kon dit niet aannemelijk maken. De inspecteur toonde aan dat de grond niet als landbouwgrond werd gebruikt en dat de paarden niet voor fokkerij bestemd waren.
De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. De belastingrente wordt verminderd met € 97 omdat de inspecteur dit bedrag ambtshalve heeft teruggegeven. De verzuimboete wordt gematigd van 10% naar het minimum van € 50, omdat belanghebbende redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de vrijstelling niet meer van toepassing was, maar wel werd misleid door de koper.
De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende. Het beroep wordt gegrond verklaard voor zover het de belastingrente en verzuimboete betreft, en afgewezen voor het overige.
Uitkomst: De naheffingsaanslag overdrachtsbelasting wordt bevestigd, belastingrente en verzuimboete worden verminderd en proceskosten worden aan belanghebbende toegekend.