ECLI:NL:RBZWB:2026:6358

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/747
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet LB 1964Art. 11 Wet LB 1964Art. 19b Wet LB 1964Art. 3.81 Wet IB 2001Art. 3.146 Wet IB 2001
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen aanslag inkomstenbelasting en belastingrente over 2022

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2022, waarin een eenmalige pensioenuitkering van €37.089,91 werd belast. De inspecteur had deze aanslag en de daarbij behorende belastingrente opgelegd en het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank oordeelt dat de aanslag niet te hoog is opgelegd. De eenmalige uitkering is pas in 2022 inbaar en vorderbaar geworden, ondanks dat de pensioenaanspraak dateert uit 2010. De belastingheffing over deze uitkering in 2022 is daarom terecht. De stelling dat het pensioen onzuiver zou zijn en de uitkering niet in 2022 belast mag worden, wordt verworpen.

Ook het bezwaar tegen het percentage van de belastingrente wordt afgewezen. De rechtbank verwijst naar een recent arrest van de Hoge Raad waarin het toegepaste percentage niet in strijd wordt geacht met het evenredigheidsbeginsel of het eigendomsrecht.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, de aanslag en belastingrente blijven in stand, en belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting en belastingrente over 2022 wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/747

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. J.P.R.C. Vos),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 januari 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 86.357 (de aanslag).
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 408 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de belastingrentebeschikking tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag niet tot een te hoog bedrag opgelegd. Ook de belastingrentebeschikking is niet tot een te hoog bedrag vastgesteld
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Op de pensioendatum van belanghebbende, [datum] 2010, bedroeg het opgebouwde pensioenkapitaal € 73.149.
3.1.
Met ingang van november 2022 is met terugwerkende kracht van het pensioenkapitaal een ouderdomspensioen aangekocht bij [N.V.] Het maandelijks te ontvangen (bruto) pensioen bedraagt € 259,36. Dit heeft in november 2022 geresulteerd in een reguliere maandbetaling en een nabetaling van € 37.089,91 (de eenmalige uitkering) over de voorliggende periode vanaf [datum] 2010.
3.2.
De pensioenaanspraak is in het verleden niet op basis van artikel 19b van de Wet LB 1964 in de heffing betrokken.

Motivering

4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de eenmalige uitkering niet in de belastingheffing over 2022 mag worden betrokken. Hiertoe voert belanghebbende aan dat de uitkering al meer dan vijf jaar geleden had moeten plaatsvinden en de belastingheffing op dat moment had moeten plaatsvinden. Verder voert belanghebbende aan dat de aanspraak per [datum] 2010 is gewijzigd in een inbaar en vorderbaar recht op pensioen. Niet nakoming van de tijdige verplichting tot uitkering van de pensioenaanspraken maakt het pensioen onzuiver.
De eenmalige uitkering
4.1.
De rechtbank overweegt dat onder loon wordt verstaan: loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. [1] Loon of periodieke uitkeringen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip dat deze zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking zijn gesteld, rentedragend zijn geworden of vorderbaar en tevens inbaar zijn geworden. [2]
4.2.
Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) in samenhang met artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de Wet LB 1964 is de pensioenaanspraak onbelast geweest en zijn de pensioenuitkeringen, waaronder de eenmalige uitkering, belast. De stelling van belanghebbende dat de uitkeringen reeds per [datum] 2010 inbaar en vorderbaar waren, wordt niet ondersteund door de feiten. Pas in 2022 is vastgesteld dat belanghebbende recht heeft op pensioenuitkeringen en is de omvang van deze uitkeringen vastgesteld. De uitkering is eerst in 2022 inbaar en vorderbaar geworden en is ook in 2022 betaald.
4.3.
De stelling van belanghebbende dat het pensioen op enig moment onzuiver is geworden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot de gevolgtrekking dat de eenmalige uitkering in 2022 niet in de belastingheffing zou mogen worden betrokken. Vast staat dat de pensioenaanspraak van belanghebbende eerder niet op grond van artikel 19b van de Wet LB 1964 in de heffing is betrokken. De stelling van belanghebbende kan niet slagen omdat artikel 10, lid 4, van de Wet LB 1964 en artikel 19b, lid 1 van de Wet LB, een zodanig systeem is dat zeker gesteld is dat of de aanspraken of de uitkeringen worden belast. [3]
4.4.
Het voorgaande brengt mee dat de inspecteur de eenmalige uitkering naar het oordeel van de rechtbank terecht in 2022 in de heffing heeft betrokken.
De belastingrente
4.5.
Belanghebbende betoogt dat het percentage van de belastingrente in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
4.6.
De rechtbank overweegt dat uit het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 [4] volgt dat het percentage van de belastingrente voor de inkomstenbelasting dat aan belanghebbende in rekening is gebracht, niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dat hiermee evenmin een ongeoorloofde inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht. De rechtbank laat de belastingrentebeschikking daarom in stand.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 3.81 van de Wet IB 2001.
2.Artikel 3.146 van de Wet IB 2001.
3.Zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 20 december 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4692, r.o. 5.1. e.v. en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarder 17 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:352, r.o. 4.8.
4.Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59.