ECLI:NL:RBZWB:2026:6382

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/498
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 67c Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag omzetbelasting en verzuimboeten wegens onvoldoende onderbouwing voorbelasting

Belanghebbende voerde beroep aan tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over de jaren 2019 tot en met 2022, inclusief belastingrente en verzuimboeten. De inspecteur had de aanslag opgelegd na onderzoek naar onduidelijkheden in de administratie, met name over de aftrek van voorbelasting op zonnepanelen en andere kosten. In de bezwaarfase werd de aanslag deels verminderd, maar belanghebbende bleef ontevreden en stapte naar de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de in aftrek gebrachte voorbelasting terecht is. De administratie was deels verloren gegaan door lekkage, maar dit ontslaat niet van de bewijslast. De inspecteur was coulant geweest door ook bedragen toe te staan zonder volledige onderbouwing. De zonnepanelen worden gebruikt voor onbelaste verhuur, waardoor de voorbelasting daarop niet aftrekbaar is.

Verder zijn de verzuimboeten terecht opgelegd omdat sprake is van een betaalverzuim en belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij alle zorgvuldigheid in acht heeft genomen. De rechtbank constateert een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden, maar ziet geen aanleiding tot matiging van de boetes. Het beroep wordt ongegrond verklaard, de naheffingsaanslag, rente en boetes blijven gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting en verzuimboeten wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/498

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 1 november 2024.
1.1.
De inspecteur heeft met dagtekening 28 februari 2024 aan belanghebbende voor de tijdvakken gelegen in de jaren 2019 tot en met 2022 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd met kenmerk [aanslagnummer] (de naheffingsaanslag) en daarbij belastingrente in rekening gebracht en verzuimboeten opgelegd:
Jaar
Bedrag
Rente
Boete
2019
€ 6.679
€ 1.148
€ 668
2020
€ 5.989
€ 869
€ 599
2021
€ 8.241
€ 867
€ 824
2022
€ 41
€ 2
€ 4
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag, de belastingrente en de verzuimboeten over de onderhavige tijdvakken verlaagd tot de volgende bedragen:
Jaar
Bedrag
Rente
Boete
2019
€ 1.389
€ 238
€ 139
2020
€ 2.673
€ 388
€ 267
2021
€ 8.215
€ 864
€ 821
2022
€ 41
€ 2
€ 4
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbende en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Feiten

2. Belanghebbende verricht in de onderhavige tijdvakken zowel belaste prestaties (schilderswerkzaamheden/uitbaten horecagelegenheid) als onbelaste prestaties (verhuur onroerende zaken).
2.1.
Op 19 september 2023 is belanghebbende verzocht informatie te verstrekken over een geconstateerd afdrachtsverschil omzetbelasting over het 4e kwartaal van 2021.
2.2.
Naar aanleiding van de reactie van belanghebbende is op 26 oktober 2023 nadere informatie verzocht over het gebruik van geplaatste zonnepanelen en de door belanghebbende in aftrek gebrachte voorbelasting op de aanschaf van deze zonnepanelen. Daarbij is door de inspecteur ook verzocht om de grootboekkaarten omzetbelasting over de onderhavige tijdvakken.
2.3.
Na meerdere nadere contactmomenten tussen belanghebbende en de inspecteur is, na een voorafgaande aankondiging en mededeling, de naheffingsaanslag opgelegd.
2.4.
In de bezwaarfase is door belanghebbende informatie overgelegd aan de inspecteur ter onderbouwing van de in aftrek gebrachte voorbelasting. Daarbij zijn door belanghebbende voor de jaren 2019 tot en met 2021 de volgende stukken overgelegd:
  • 2019: een klapper met facturen en een doos met kassabonnen;
  • 2020: een (handgeschreven) grootboekkaart;
  • 2021: zeven facturen.
Met betrekking tot het jaar 2022 zijn geen stukken overgelegd.
2.5.
Met dagtekening 1 november 2024 is uitspraak op bezwaar gedaan en is de naheffingsaanslag over de onderhavige tijdvakken verminderd tot de bedragen zoals vermeld in 1.2.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de in aftrek gebrachte voorbelasting over de tijdvakken gelegen in de jaren 2019 tot en met 2022 terecht is nageheven en of de verzuimboeten terecht zijn opgelegd en niet te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Motivering

4. Op grond van de wet [1] heeft een ondernemer recht op aftrek van de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting voor zover de aan hem verrichte leveringen van goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen.
4.1.
Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op aftrek van voorbelasting over de onderhavige tijdvakken omdat de ingekochte goederen en diensten werden gebruikt voor belaste prestaties. Volgens belanghebbende is de administratie die ten grondslag ligt aan de in aftrek gebrachte voorbelasting (ten minste gedeeltelijk) nat geworden bij lekkage aan het dak van de woning van belanghebbende. Door de lekkage is (ten minste gedeeltelijk) de administratie verloren gegaan. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat de geplaatste zonnepanelen worden gebruikt op de appartementen die hij verhuurt. Belanghebbende stelt verder dat de gegevens en onderbouwingen in de uitspraak op bezwaar niet overeenkomen met hetgeen hij heeft aangevoerd.
4.2.
De inspecteur stelt dat een deel van de door belanghebbende geclaimde voorbelasting in het geheel niet is onderbouwd. Daarnaast stelt de inspecteur dat voor bepaalde door belanghebbende overlegde stukken onduidelijk is of de in aftrek gebrachte voorbelasting betrekking heeft op de belaste of onbelaste prestaties van belanghebbende. Ten aanzien van de in aftrek gebrachte voorbelasting op de geplaatste zonnepanelen heeft de inspecteur ter zitting verklaard dat deze zonnepanelen worden gebruikt ten behoeve van appartementen die voor onbelaste prestaties worden aangewend, zodat geen recht op aftrek bestaat voor de op de zonnepanelen betrekking hebbende voorbelasting.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat op belanghebbende de last rust om aannemelijk te maken dat hij terecht de voorbelasting in aftrek heeft gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aan zijn bewijslast voldaan. Belanghebbende heeft in de bezwaarfase ter onderbouwing van de in aftrek gebrachte voorbelasting stukken overgelegd. De inspecteur heeft de door belanghebbende overgelegde stukken beoordeeld en voor een gedeelte de in rekening gebrachte voorbelasting over de onderhavige tijdvakken toegestaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur reeds coulant geweest bij het toestaan van de aftrek, onder meer omdat de inspecteur ook bedragen in aftrek heeft toegestaan die waren vermeld op grootboekkaarten, maar waarvoor geen kassabonnen of facturen zijn overgelegd. Belanghebbende heeft in de beroepsfase niet concreet gemaakt en/of onderbouwd welke bedragen op welke facturen of kassabonnen toch betrekking hebben op belaste prestaties. Voor een deel van de in aftrek gebrachte bedragen is in het geheel geen onderbouwing gegeven. Wat betreft de voorbelasting die betrekking heeft op de zonnepanelen heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat de zonnepanelen worden gebruikt ten behoeve van de verhuur van de appartementen (onbelaste prestaties). Ook heeft belanghebbende niets aangevoerd met betrekking tot (de omvang van) de eventuele teruglevering van energie aan het energiebedrijf en vergoedingen daarvoor. De aftrek is daarom naar het oordeel van de rechtbank terecht geweigerd.
4.4.
Belanghebbende heeft verder verklaard dat een deel van zijn administratie als gevolg van een lekkage nat is geworden en daarom niet aan de inspecteur kon worden overgelegd. De omstandigheid dat (een gedeelte van) de administratie van belanghebbende verloren is gegaan als gevolg van de lekkage, ontslaat hem niet van zijn verplichting om het door hem geclaimde recht op aftrek van voorbelasting te onderbouwen. Zelfs indien deze situatie aannemelijk zou zijn, dan komt dit voor zijn rekening en risico.
4.5.
De stelling van belanghebbende dat in de uitspraak op bezwaar onjuiste gegevens en onderbouwingen zijn gebruikt, is niet nader onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze stelling belanghebbende dan ook niet baten.
4.6.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is bij de naheffingsaanslag terecht een deel van de geclaimde voorbelasting gecorrigeerd.
Belastingrente
4.7.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de naheffingsaanslag volgt.
Verzuimboete
4.8.
De inspecteur stelt dat de verzuimboeten over de onderhavige tijdvakken terecht aan belanghebbende zijn opgelegd, omdat is gebleken dat een te hoog bedrag aan omzetbelasting als voorbelasting in aftrek is gebracht. Belanghebbende betwist dat de aan hem opgelegde boetes terecht zijn opgelegd, omdat hij meende dat hij recht had op aftrek van voorbelasting voor de volledige bedragen. Volgens belanghebbende is de als gevolg van de lekkage nat geworden administratie aangeboden aan de inspecteur, maar heeft de inspecteur deze geweigerd. Daardoor kon niet de volledige in aftrek geclaimde voorbelasting worden onderbouwd.
4.9.
Op grond van de wet [2] vormt het niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen van belasting welke op aangifte moet worden voldaan een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de belastingplichtige een boete kan opleggen. Dit enkele feit rechtvaardigt in beginsel een verzuimboete van 10 procent. Opzet of schuld is geen vereiste voor een verzuimboete en daarom niet van belang. Alleen in geval van afwezigheid van alle schuld (hierna: avas) of als sprake is van een pleitbaar standpunt wordt geen verzuimboete opgelegd. Van avas is slechts sprake als belanghebbende in de gegeven omstandigheden alle van de hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het verzuim te voorkomen. [3] De bewijslast dat sprake is van avas of een pleitbaar standpunt rust op belanghebbende.
4.10.
De rechtbank stelt voorop dat vaststaat dat belanghebbende de in de aangiften omzetbelasting geclaimde aftrek niet of onvoldoende heeft onderbouwd (zie 4.6), waardoor de aftrek (deels) onterecht is geclaimd en dat daardoor een betaalverzuim is ontstaan. In beginsel kan de inspecteur dan een boete van 10% van de verschuldigde belasting opleggen, zoals hij heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van avas of een pleitbaar standpunt. Dat belanghebbende niet beschikt over een afschrift of kopie van zijn administratie en evenmin op andere wijze de in aftrek gebrachte voorbelasting kan onderbouwen, brengt mee dat in het onderhavige geval niet kan worden geoordeeld dat hij alle zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem mochten worden verwacht. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat de inspecteur onbetwist heeft gesteld dat ook over eerdere jaren procedures zijn gevoerd en dat belanghebbende er toen op is gewezen dat er een deugdelijke administratie dient te worden gevoerd en dat desondanks de administratie niet op orde is. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van onderbouwende stukken (enkel) is te wijten aan waterschade. Ook ziet de rechtbank in de feiten en omstandigheden van het geval geen aanleiding om de boetes te matigen. De rechtbank acht de verzuimboeten in dit geval passend en geboden.
Undue delay
4.11.
Ook in de duur van de procedure ziet de rechtbank geen aanleiding om de boete te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De rechtbank stelt vast dat 9 januari 2024 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op die datum het opleggen van de naheffingsaanslag en de verzuimboeten is aangekondigd. De rechtbank doet uitspraak op 13 juli 2026. Sinds de aankondiging van de boete is dan (afgerond) twee jaar en zes maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met zes maanden. Het bedrag van elk van de boeten bedraagt minder dan € 1.000. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [4]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente en verzuimboeten, zoals vastgesteld bij uitspraak op bezwaar, gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier op 13 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 15, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968.
2.Artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
3.Vgl. Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7184.
4.Vgl. Hoge Raad 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:175.