ECLI:NL:RBZWB:2026:6383

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/1081
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 Wet OBArt. 8:36c AwbArt. 15 Wet OBArt. 120 Grondwet
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag omzetbelasting en KOR: beroep ongegrond wegens toepasselijkheid KOR in 2022

Belanghebbende, exploitant van een webshop via een eenmanszaak, kreeg voor het jaar 2022 een naheffingsaanslag omzetbelasting van €15.021 opgelegd wegens verlegde btw over intracommunautaire diensten. Tevens werd belastingrente in rekening gebracht. Belanghebbende voerde aan dat de KOR niet meer van toepassing was omdat de omzetgrens van €20.000 was overschreden en dat hij zich te laat had uitgeschreven, waardoor hij geen aangifte kreeg en fiscaal nadeel leed.

De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hij in Nederland belaste prestaties verrichtte die de omzetgrens overschreden. De KOR bleef daarom van toepassing, waardoor geen recht op aftrek van voorbelasting bestond en de naheffingsaanslag terecht was opgelegd. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel en individuele buitensporige last werd verworpen omdat de wetgever bewust geen aftrek toestaat bij toepassing van de KOR en bijzondere omstandigheden niet waren aangetoond.

Belanghebbende was correct uitgenodigd voor de zitting maar verscheen niet. Na sluiting van het onderzoek werd het beroep ongegrond verklaard, de naheffingsaanslag en belastingrente gehandhaafd, en werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De naheffingsaanslag omzetbelasting en belastingrente over 2022 worden gehandhaafd omdat de KOR van toepassing was en geen recht op aftrek van voorbelasting bestond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1081

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] (Thailand), belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 28 december 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het tijdvak van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 15.021 (de naheffingsaanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur € 1.154 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens de inspecteur, drs. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Belanghebbende is, zonder voorafgaande kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.
1.4.
De griffier heeft op 21 januari 2026 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door de belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 21 januari 2026 heeft ontvangen. [1] De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank belanghebbende een brief gestuurd en hem in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Belanghebbende heeft niet binnen de daartoe gestelde termijn gereageerd. Op 28 mei 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en een uitspraak aangekondigd.

Feiten

2. Belanghebbende exploiteerde in het onderhavige tijdvak een webshop door middel van een eenmanszaak.
2.1.
Over het tijdvak 2022 is op het btw-identificatienummer van belanghebbende voor een bedrag van € 71.529 gelist. Dit bedrag ziet op afgenomen diensten uit Denemarken (€ 2.258), Ierland (€ 67.133) en Zweden (€ 2.138).
2.2.
Belanghebbende is over de afgenomen diensten € 15.021 aan verlegde btw verschuldigd.
2.3.
Belanghebbende heeft gedurende het onderhavige tijdvak gebruik gemaakt van de kleineondernemersregeling (KOR).
2.4.
Belanghebbende heeft middels een brief met dagtekening 9 september 2022 de inspecteur gevraagd om een standpuntbepaling met betrekking tot de vraag of de activiteiten van belanghebbende vanaf 1 juli 2021 onderworpen zijn aan btw-heffing in Nederland. In de standpuntbepaling is door de inspecteur vastgesteld dat belanghebbende geen belaste btw-leveringen in Nederland verricht.
2.5.
Belanghebbende heeft met dagtekening 29 juni 2023 een verzoek gedaan tot het beëindigen van de KOR per 1 januari 2023.
2.6.
De inspecteur heeft met dagtekening 20 juli 2023 een bericht aan belanghebbende gestuurd met de mededeling dat hij de KOR heeft beëindigd per 1 oktober 2023.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of belanghebbende in de onderhavige periode recht heeft op teruggaaf van voorbelasting. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht opgelegd
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Motivering

4. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende btw verschuldigd was vanwege de btw die naar hem is verlegd. De vraag die partijen verdeeld houdt is of in het onderhavige tijdvak de KOR van toepassing was en of belanghebbende recht had op aftrek van voorbelasting met betrekking tot de naar hem verlegde btw, waardoor er per saldo geen naheffing had moeten plaatsvinden.
Is in het onderhavige tijdvak de KOR op belanghebbende van toepassing?
4.1.
Belanghebbende stelt dat de KOR in het onderhavige tijdvak niet langer van toepassing was omdat de omzetgrens van € 20.000 was overschreden. Volgens belanghebbende heeft hij zich door onduidelijkheid in de regelgeving over de KOR te laat uitgeschreven. Belanghebbende stelt dat hij na het overschrijden van de omzetgrens administratief deelnemer bleef van de KOR waardoor hij geen aangifte omzetbelasting kreeg uitgereikt en hij daarom in de mogelijkheid om aan zijn fiscale verplichtingen te voldoen werd ondermijnd. Belanghebbende stelt dat ook indien de uitschrijving van de KOR correct was verwerkt, er geen fiscaal nadeel door de Belastingdienst werd geleden omdat het saldo van de af te dragen en te ontvangen btw gelijk was.
4.2.
In artikel 25 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 [2] (Wet OB) is bepaald.:
‘1. Een ondernemer die in Nederland is gevestigd of aldaar een vaste inrichting heeft en van wie de omzet in een kalenderjaar in Nederland niet meer bedraagt dan € 20.000 kan kiezen voor toepassing van vrijstelling van belasting ter zake van door hem in dat en volgende kalenderjaren verrichte leveringen van goederen en diensten. (…)
2. De omzet, bedoeld in het eerste lid, wordt gevormd door de som van de vergoedingen voor de door de ondernemer verrichte leveringen van goederen en diensten:
a.
voor zover deze zonder toepassing van het eerste lid belast zouden zijn in Nederland; (…)
4. De ondernemer die de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, toepast, heeft geen recht op aftrek van belasting als bedoeld in artikel 2 en Pro mag op de factuur op geen enkele wijze melding maken van omzetbelasting.
(…)
7. De toepassing van de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt tot wederopzegging door de ondernemer doch ten minste voor drie jaren na aanvang van de toepassing van de vrijstelling. (…)
8. Bij overschrijding van de omzetdrempel, genoemd in het eerste lid, gedurende een kalenderjaar is de vrijstelling niet van toepassing op de levering van het goed of de dienst waardoor die overschrijding tot stand komt en op alle daaropvolgende leveringen van goederen en diensten. (…)’
4.3.
In de parlementaire behandeling van artikel 25 Wet Pro OB is de volgende passage opgenomen:

Voor het bepalen van de relevante omzet moet worden aangesloten bij de BTW-richtlijn 2006. Dit betekent dat de volledige in Nederland belaste omzet van de ondernemer moet worden meegeteld, ongeacht welk btw-tarief van toepassing is en of de heffing van btw is verlegd naar zijn afnemer. (...) Omzet die wordt behaald met andere leveringen en diensten dan de hiervoor genoemde prestaties telt niet mee om te bepalen of een ondernemer onder de omzetgrens blijft voor toepassing van de nieuwe KOR. Dit zijn onder andere grensoverschrijdende prestaties, waarbij de plaats van levering of de plaats van dienst niet Nederland is en andere vrijgestelde prestaties dan die specifiek genoemd zijn.’ [3]
4.4.
De rechtbank overweegt dat in het geval van intracommunautaire verwervingen in beginsel recht op aftrek van omzetbelasting bestaat mits de ondernemer in het bezit is van een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur. [4] Op grond van artikel 25, vierde lid, wet OB (oud) heeft de ondernemer die de KOR toepast echter geen recht op aftrek van voorbelasting. De rechtbank overweegt dat uit artikel 25, achtste lid, wet OB (oud) volgt dat de KOR niet langer van toepassing is vanaf het moment dat de omzetgrens als bedoeld in het eerste lid wordt overschreden. De vraag die hieruit volgt is of belanghebbende in het onderhavige tijdvak de omzetgrens heeft overschreden. Op grond van artikel 25, tweede lid, onderdeel a, wet OB (oud) is voor de beantwoording van deze vraag van belang de som van de vergoedingen van de door belanghebbende verrichte prestaties voor zover deze zonder toepassing van de KOR in Nederland belast zouden zijn.
4.5.
Door belanghebbende zijn geen gegevens overgelegd waaruit volgt dat hij in Nederland met omzetbelasting belaste prestaties verrichtte. Ook uit de overgelegde stukken met betrekking tot de standpuntbepaling van de inspecteur over de fiscale behandeling van de activiteiten in Nederland volgt dat partijen het erover eens zijn dat belanghebbende geen in Nederland met omzetbelasting belaste prestaties verricht. Verder heeft belanghebbende in het afmeldformulier voor de toepassing van de KOR onder punt 2 aangegeven dat de reden voor de beëindiging van de KOR niet is dat zijn omzet hoger is dan € 20.000. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij in het onderhavige tijdvak prestaties verrichtte die zonder toepassing van de KOR in Nederland belast zouden zijn en heeft belanghebbende (dus) evenmin aannemelijk gemaakt dat de omzetgrens is overschreden.
4.6.
Aangezien niet aannemelijk is dat in het onderhavige tijdvak de omzetgrens voor de toepassing van de KOR is overschreden en belanghebbende zich niet tijdig heeft afgemeld voor de KOR, was de KOR van toepassing in 2022 en had belanghebbende daarom geen recht op aftrek van voorbelasting. De stelling van belanghebbende dat sprake is van een complexe regeling doet aan dit oordeel niet af. Belanghebbende heeft zich zelf aangemeld voor een bijzondere regeling en dient zich dan ook op de hoogte te stellen van de voorwaarden en de voor- en nadelen van de toepassing van die regeling.
Evenredigheidsbeginsel en individuele buitensporige last
4.7.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking een onevenredige financiële last vormen omdat er geen fiscaal nadeel is geleden door de Belastingdienst.
4.8.
De verschuldigde omzetbelasting vloeit voort uit een wet in formele zin. Het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet staat eraan in de weg dat een (bepaling uit een) wet in formele zin wordt getoetst aan algemene rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel. De rechter is echter wel bevoegd om een bepaling in een wet in formele zin buiten toepassing te laten indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Dat is het geval indien die niet-verdisconteerde bijzondere omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. De Hoge Raad stelt dat dergelijke bijzondere omstandigheden ‘slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen’. [5]
4.9.
In dit geval heeft de wetgever een welbewuste afweging gemaakt om geen aftrek van voorbelasting toe te staan wanneer de KOR wordt toegepast. Belanghebbende zou ook geen recht op aftrek van voorbelasting hebben indien de btw niet naar belanghebbende was verlegd, maar belanghebbende de btw aan de dienstverleners had moeten betalen. De omstandigheid dat de btw naar belanghebbende is verlegd, is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die niet in de afweging van de wetgever zijn verdisconteerd die aanleiding geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Het beroep van belanghebbende op het evenredigheidsbeginsel slaagt daarom niet. Voor zover belanghebbende met zijn stelling bedoelt dat voor hem sprake is van een individuele buitensporige last is deze stelling naar het oordeel van de rechtbank niet met verifieerbare gegevens onderbouwd. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
4.10.
Gelet op het vorenstaande is de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd.
Belastingrente
4.11.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft naast hetgeen hij in 5.7 heeft gesteld geen andere gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier op 13 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Tekst 2022.
4.Artikel 15, eerste lid, onderdeel b, wet op de omzetbelasting 1968.
5.Vgl. Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:815 en Hoge Raad 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3679, r.o. 3.6.2 en 3.6.3.