Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende heeft voor deze omzetbelasting op de voet van artikel 3 van Pro de Wet op het BTW-compensatiefonds (hierna: de Wet BCF) de Inspecteur om (aanvullende) bijdragen uit het BTW-compensatiefonds gevraagd. Hetzelfde heeft elk van de beide andere gemeenten gedaan.
Aan belanghebbende en aan elk van de beide andere gemeenten zijn de gevraagde (aanvullende) bijdragen uit het BTW-compensatiefonds toegekend en uitgekeerd. De Inspecteur had toen nog geen uitspraak gedaan op de hiervoor in 2.1.5 bedoelde bezwaren van de BAR-organisatie.
In de VSO is – voor zover in cassatie van belang – afgesproken dat de hiervoor in 2.1.5 bedoelde naheffingsaanslagen worden vernietigd en dat gelijktijdig de daarmee verband houdende bijdragen uit het BTW-compensatiefonds zullen worden teruggevorderd van belanghebbende en de andere twee gemeenten. In de VSO is neergelegd dat de belastingrente conform de wettelijke bepalingen wordt berekend.
De Inspecteur heeft de op de voet van artikel 9, lid 4, van de Wet BCF aan belanghebbende en aan elk van de beide andere gemeenten uitgekeerde (aanvullende) bijdragen uit het BTWcompensatiefonds teruggevorderd en daarbij op de voet van artikel 9, lid 5, van de Wet BCF, in samenhang gelezen met artikel 30h AWR, belastingrente in rekening gebracht. Het aan de BAR-organisatie vergoede bedrag aan belastingrente is aanzienlijk lager dan het totale bedrag aan belastingrente dat bij terugvordering van de (aanvullende) bijdragen uit het BTW-compensatiefonds aan belanghebbende en elk van de beide andere gemeenten tezamen in rekening is gebracht.