ECLI:NL:RBZWB:2026:6387

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/4818
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.119a Wet IB 2001Art. 3.119c Wet IB 2001Art. 3.119g Wet IB 2001
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling eigenwoningschuld lening verbouwing eigen woning in belastingaanslag 2022

Belanghebbende, woonachtig in België en werkzaam in Nederland, had voor 2022 een lening van €30.000 afgesloten voor de verbouwing van haar eigen woning. De lening kende een opnameperiode van 24 maanden zonder aflossingsverplichting, waarna aflossing in 240 maandelijkse termijnen zou volgen. De inspecteur weigerde de aftrek van negatieve inkomsten uit eigen woning deels omdat de lening niet voldeed aan de aflossingseis van artikel 3.119a Wet IB 2001.

De rechtbank bevestigt dat de lening niet kwalificeert als eigenwoningschuld omdat in 2022 geen contractuele verplichting tot aflossing bestond. De opnameperiode en aflossingsperiode vormen één lening, waarbij het ontbreken van aflossingsverplichting in de opnameperiode niet voldoet aan de wettelijke aflossingseis. De rechtbank wijst de stelling van belanghebbende dat sprake zou zijn van een aparte lening in de opnameperiode af.

Daarnaast is vastgesteld dat de inspecteur het hoorrecht van belanghebbende heeft geschonden door geen hoorgesprek aan te bieden voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar. De rechtbank verklaart het beroep gegrond vanwege deze schending en wijst een vergoeding van proceskosten en griffierecht toe. De aanslag zelf wordt echter niet vernietigd en blijft in stand.

Uitkomst: Beroep gegrond wegens schending hoorrecht, aanslag blijft in stand, proceskosten en griffierecht worden vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/4818

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , [plaats] (België), belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 15 september 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.554 (de aanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbende en [persoon] . Namens de inspecteur hebben deelgenomen mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Feiten

2. Belanghebbende was in 2022 het gehele jaar woonachtig in België en werkzaam in Nederland.
2.1.
Belanghebbende heeft in 2022 een financieringsovereenkomst met de ING-bank gesloten voor onder meer een bedrag van € 30.000 ten behoeve van de verbouwing van een eigen woning (de lening).
2.2.
Eén van de voorwaarden van de financieringsovereenkomst is dat belanghebbende gedurende de eerste 24 maanden (de opnameperiode) niet verplicht is tot aflossing. De beschikbaarstelling van de gelden vindt plaats na het overleggen van bewijsstukken die voldoen aan de overeengekomen voorwaarden zoals opgenomen in de financieringsovereenkomst. Na het verstrijken van de opnameperiode dient de lening in 240 maandelijkse termijnen volledig afgelost te worden.
2.3.
Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV gedaan over het jaar 2022 (de aangifte). Daarin heeft zij rekening gehouden met een eigenwoningschuld van € 211.713 en een bedrag aan aftrekbare financieringskosten van € 6.346. Het aangegeven inkomen uit werk en woning is als volgt weer te geven:
Inkomsten uit tegenwoordige arbeid
€ 72.703
Saldo inkomsten uit eigen woning
€ 7.560 -/-
Inkomsten uit werk en woning
€ 65.143
2.4.
De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2022 afgeweken van de aangifte en heeft de aftrek van de negatieve inkomsten uit eigen woning gedeeltelijk geweigerd. De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van
€ 66.554.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2022 tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of de lening kwalificeert als eigenwoningschuld zoals bedoeld in artikel 3.119a van de Wet IB 2001. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a van de Wet IB 2001 en is de aanslag IB/PVV 2022 niet tot een te hoog bedrag vastgesteld
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Motivering

Vooraf
4. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat door de inspecteur geen mogelijkheid aan belanghebbende is geboden tot een hoorgesprek voorafgaand aan het doen van de uitspraak op bezwaar, en dat daarmee het hoorrecht is geschonden. De inspecteur heeft vanwege de schending van het hoorrecht ingestemd met de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Partijen hebben de rechtbank verzocht zelf in de zaak te voorzien en de zaak niet terug te verwijzen. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Is sprake van een eigenwoningschuld?
4.1.
Belanghebbende stelt dat sprake is van een eigenwoningschuld aangezien de lening – na de opnameperiode – binnen 240 maanden volledig moet worden afgelost. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat anders dan in een Nederlandse situatie de lening niet wordt verstrekt bij het verlijden van de akte. Volgens belanghebbende geldt gedurende de opnameperiode een ander rentetarief dan gedurende de aflossingsperiode en kan tijdens de opnameperiode nog niet op de lening worden afgelost. Voorts stelt belanghebbende dat in de opnameperiode wel sprake is van een lening maar dat deze is losgekoppeld van de uiteindelijk verstrekte lening.
4.2.
De inspecteur heeft gesteld dat naar zijn mening geen sprake is van een eigenwoningschuld omdat niet voldaan wordt aan de voorwaarde van artikel 3.119a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 (de aflossingseis). Volgens de inspecteur is de invoering van de aflossingseis een bewuste keuze van de wetgever om een lening te laten kwalificeren als eigenwoningschuld. Omdat er nog geen aflossing is verschuldigd gedurende de opnameperiode wordt volgens de inspecteur niet voldaan aan de aflossingseis.
4.3.
In artikel 3.119a, eerste lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2021) wordt onder eigenwoningschuld verstaan het gezamenlijke bedrag van de schulden van de belastingplichtige:
die zijn aangegaan in verband met een eigen woning;
ter zake waarvan een contractuele verplichting geldt tot het gedurende de looptijd ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden volledig aflossen overeenkomstig artikel 3.119c;
ter zake waarvan aan de verplichting tot aflossing wordt voldaan (aflossingseis), en
ter zake waarvan, ingeval artikel 3.119g van toepassing is, aan de verplichting tot informatieverstrekking, bedoeld in dat artikel, wordt voldaan.
4.4.
Eén van de vereisten om een lening als eigenwoningschuld aan te merken, is dat een contractuele verplichting bestaat dat de betreffende lening ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden wordt afgelost. Het staat vast dat belanghebbende in het jaar 2022 contractueel niet tot aflossing verplicht was. Dit brengt mee dat geen sprake is van een eigenwoningschuld in de zin van artikel 3.119a van de Wet IB 2001. Ten aanzien van de stelling van de belanghebbende dat bij een lening als de onderhavige gedurende de opnameperiode niet op de lening kan worden afgelost overweegt de rechtbank dat indien niet voldaan wordt aan de bovengenoemde eisen, waaronder de aflossingseis, de lening niet kan kwalificeren als een eigenwoningschuld. Dat geldt ongeacht of een dergelijke financiering bij een Nederlandse of Belgische kredietverstrekker wordt aangegaan. Naar het oordeel van de rechtbank is in tegenstelling tot de opvatting van belanghebbende geen sprake van een separate lening gedurende de opnameperiode. De geldschuld voor de verbouwing is namelijk als één geheel overeengekomen en kent twee periodes: die van opname en die van aflossing. In beide periodes geldt de verplichting tot terugbetaling van de overeengekomen schuld. Dat in de opnameperiode nog niet op de schuld kan worden afgelost, of dat een ander rentetarief van toepassing is, doet niet af aan het feit dat niet aan de aflossingseis wordt voldaan gedurende de looptijd van de lening.
4.5.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de achternaam van haar voormalig partner mogelijk aanleiding is geweest voor het onderzoek door de inspecteur naar haar aangifte. De inspecteur heeft aangegeven dat de omstandigheid dat belanghebbende een buitenlands leenproduct in haar aangifte heeft opgevoerd in haar aangifte de aanleiding is geweest voor een controle. De rechtbank acht de verklaring van de inspecteur aannemelijk. Er is daarmee geen aanleiding om gevolgen te verbinden aan de gang van zaken bij de controle van de aangifte. [1]
4.6.
Het voorgaande brengt mee dat de correcties van de inspecteur terecht zijn aangebracht.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond voor zover het betrekking heeft op de schending van het hoorrecht. Het beroep is ongegrond voor zover het betrekking heeft op de aanslag IB/PVV 2022. Belanghebbende krijgt het griffierecht vergoedt. Zij krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten.
5.1.
Het beroep van belanghebbende is gegrond. Daarom komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten. Belanghebbende heeft in dat kader verzocht om vergoeding van € 172,61 aan verletkosten en € 117,58 aan reiskosten. De inspecteur heeft ingestemd met vergoeding van deze kosten De rechtbank wijst deze proceskostenvergoeding dan ook toe.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar in verband met de schending van het hoorrecht;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar in stand blijven;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 290,19 aan proceskosten aan belanghebbenden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier op 10 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748.