ECLI:NL:RBZWB:2026:6482

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/6073, 25/6074 en 25/6075
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing teruggaaf dividendbelasting voor Spezial-Sondervermögen met één participant

Belanghebbende, een in Duitsland gevestigd Spezial-Sondervermögen met slechts één participant, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2019, 2020 en 2021. De inspecteur had de verzoeken afgewezen omdat belanghebbende niet als fonds voor gemene rekening wordt aangemerkt en dus niet de opbrengstgerechtigde is voor dividendbelasting.

De rechtbank stelt vast dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meerdere participanten, waardoor het fonds als transparant wordt beschouwd voor vennootschapsbelastingdoeleinden. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2020. Belanghebbende kan daarom niet als lichaam worden aangemerkt en heeft geen recht op teruggaaf van dividendbelasting, tenzij het als doelvermogen kan worden gekwalificeerd.

De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet als doelvermogen kan worden aangemerkt, omdat de bewijzen van deelgerechtigdheid aanspraak geven op het vermogen van belanghebbende. Hierdoor is de afwijzing van de verzoeken door de inspecteur terecht. De overige verweren worden niet behandeld. Ook recht op rentevergoeding bestaat niet. De beroepen worden ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de teruggaaf van dividendbelasting.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/6073, 25/6074 en 25/6075

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] (Duitsland), belanghebbende

(gemachtigde: mr. T.C. Gerverdinck),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend tegen de uitspraken van de inspecteur van 19 november 2025 op de bezwaren van belanghebbende tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de volgende jaren, waaraan de rechtbank de volgende zaaknummers heeft toegekend:
  • 2019 (zaaknummer 25/6073);
  • 2020 (zaaknummer 25/6074);
  • 2021 (zaaknummer 25/6075).
1.1.
Een zitting is met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Awb achterwege gebleven.

Beoordeling door de rechtbank

2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur terecht geen teruggaven van dividendbelasting verleend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft belanghebbende recht op teruggaaf van dividendbelasting?
2.1.
Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift aangegeven dat hij een Sondervermögen is met meerdere participanten. De inspecteur heeft dat betwist en daar tegen in gebracht dat uit de stukken die belanghebbende heeft overlegd volgt dat hij een Spezial-Sondervermögen is met maar één participant. Belanghebbende heeft de stelling dat sprake zou zijn van meerdere participanten niet nader onderbouwd. Dat leidt ertoe dat de rechtbank tot uitgangspunt neemt dat belanghebbende een Spezial-Sondervermögen is met maar één participant.
2.2.
Een Spezial Sondervermögen met slechts één houder van bewijzen van deelgerechtigdheid in zijn vermogen moet naar het oordeel van de rechtbank voor vennootschapsbelastingdoelen als transparant worden aangemerkt. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2020 [1] moet een dergelijk beleggingsfonds namelijk worden aangemerkt als een privébeleggingsfonds van de deelgerechtigde en kan zo’n fonds niet als fonds voor gemene rekening in de zin van artikel 2 Wet Pro op de vennootschapsbelasting 1969 worden gekwalificeerd. Dat betekent dat belanghebbende, behoudens het hiernavolgende inzake doelvermogens, niet als lichaam voor de heffing van vennootschapsbelasting wordt aangemerkt en dat belanghebbende evenmin de opbrengstgerechtigde is voor de heffing van dividendbelasting. Het onderhavige verzoek is niet (mede) een verzoek namens de enige deelgerechtigde in het vermogen van belanghebbende. Belanghebbende, noch die deelgerechtigde, kan dus aanspraak maken op teruggaaf van dividendbelasting. Dat zou slechts anders kunnen zijn indien belanghebbende als doelvermogen aanspraak kan maken op teruggaaf van dividendbelasting.
2.3.
Belanghebbende kan niet worden aangemerkt als een doelvermogen, aangezien het bewijzen van deelgerechtigdheid heeft uitgegeven die aan de houder ervan aanspraak geeft op het vermogen van belanghebbende. [2]
2.4.
Gelet hierop heeft de inspecteur de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting terecht afgewezen. Aan de behandeling van de overige verweren van de inspecteur komt de rechtbank niet toe.
2.5.
Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft belanghebbende evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.

Conclusie en gevolgen

3. De beroepen zijn ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Belanghebbende krijgt ook geen vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:115.
2.Zie Hoge Raad 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:115, r.o. 3.7.4 en Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:862.