ECLI:NL:RBZWB:2026:6488
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Op tegenspraak
- C.H.W.M. Sterk
- V.M. Schotanus
- C.M.B. Gijselman
- Rechtspraak.nl
Schorsing voorlopige hechtenis voor het uitzitten van onherroepelijke gevangenisstraf bevestigd
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 15 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak waarin de voorlopige hechtenis van verdachte werd geschorst om een onherroepelijke gevangenisstraf van 9 weken uit te zitten. De verdediging beriep zich op het Europeesrechtelijke subsidiariteitsbeginsel, dat stelt dat vrijheidsbeneming op de minst belastende wijze moet plaatsvinden. De rechtbank handhaaft de lijn van 'schorsen, tenzij', zoals eerder bevestigd in haar uitspraak van 24 juni 2026.
De rechtbank bespreekt uitvoerig de argumenten van het Openbaar Ministerie, dat zich verzet tegen schorsing sinds de executiebevoegdheid per 1 januari 2020 is overgegaan naar de Minister van Justitie. De rechtbank oordeelt dat deze organisatorische wijziging geen invloed mag hebben op de autonome uitleg van het subsidiariteitsbeginsel en dat het OM onvoldoende concrete voorbeelden geeft van problemen bij schorsingen in de afgelopen jaren.
Verder benadrukt de rechtbank dat het OM nog steeds schorsingen toestaat bij zwaarwegende persoonlijke belangen en dat de vermeende risico’s eenvoudig kunnen worden beheerst door betere communicatie binnen de uitvoerende macht. De rechtbank wijst ook het argument van het OM af dat artikel 1:4 van Pro de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen prioriteit aan voorlopige hechtenis geeft, omdat dit artikel alleen de aanvang van vrijheidsbeneming regelt en niet de schorsing ervan.
De rechtbank besluit de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van 16 juli 2026 voor de duur van de gevangenisstraf en bepaalt dat de schorsing na het uitzitten van de straf eindigt.
Uitkomst: De voorlopige hechtenis wordt geschorst voor het uitzitten van de onherroepelijke gevangenisstraf van 9 weken.