ECLI:NL:RBZWB:2026:6497

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
BRE 24/6538
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbArt. 8:36c AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet niet-ontvankelijk wegens ontbreken recente machtiging in belastingzaak

Belanghebbende heeft verzet ingesteld tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank waarin het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. Hoewel in het eerdere beroep een machtiging was ingediend, was deze niet recent genoeg om het verzet te ondersteunen.

De rechtbank heeft gemachtigde tweemaal verzocht om een nieuwe machtiging en een kopie van het legitimatiebewijs van belanghebbende te overleggen, met duidelijke termijnen. Ondanks deze mogelijkheden heeft gemachtigde niet gereageerd en geen nieuwe machtiging ingediend.

Hierdoor kon de rechtbank niet vaststellen dat gemachtigde bevoegd was om namens belanghebbende op te treden in het verzet. Daarom verklaarde de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk, waardoor de bestreden uitspraak in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een recente machtiging.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6538

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. J.W. Vugts),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 2 april 2026 in het geding tussen
belanghebbende
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Steenbergen, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 2 april 2026 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende heeft op 5 mei 2026 een verzetschrift ingediend.
1.1
In beroep had gemachtigde op 12 september 2024 een machtiging ingediend. De machtiging is op 20 maart 2023 door belanghebbende getekend. In de getekende machtiging staat vermeld dat gemachtigde gemachtigd is voor het indienen van bezwaar, instellen van beroep en hoger beroep en het vertegenwoordigen van belanghebbende ter (hoor)zitting.
1.2
Op 6 mei 2026 heeft de rechtbank de ontvangst van het verzetschrift bevestigd. Op 13 mei 2026 heeft de rechtbank gemachtigde verzocht om een nieuwe machtiging te sturen, inclusief een kopie van het legitimatiebewijs van belanghebbende. Belanghebbende kreeg hiervoor de mogelijkheid tot uiterlijk 10 juni 2026. Dit bericht is in het digitaal dossier van belanghebbende geplaatst. Hierop heeft de rechtbank geen reactie ontvangen.
1.3
Op 15 juni 2026 heeft de rechtbank belanghebbende nogmaals in de gelegenheid om een machtiging in te dienen. Dit bericht heeft de griffie op 15 juni 2026 in het digitaal dossier van belanghebbende geplaatst. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan gemachtigde verzonden naar het door gemachtigde voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat gemachtigde dit bericht op 15 juni 2026 heeft ontvangen. [1] De rechtbank stelt daarmee vast dat gemachtigde correct en op de juiste wijze de berichten heeft gehad waarin hij de mogelijkheid heeft gekregen om het verzuim te herstellen. Gemachtigde heeft wederom niet gereageerd.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet niet-ontvankelijk is, omdat gemachtigde niet aannemelijk maakt dat hij namens belanghebbende in verzet mag optreden. Het verzuim is niet hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. [2]
2.1
Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. De rechtbank heeft aanleiding gezien om een recente machtiging op te vragen. [3] Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk verklaren. [4]
2.2
De gemachtigde is twee keer de gelegenheid geboden om het verzuim te herstellen. Gemachtigde heeft geen nieuwe machtiging ingediend, noch is voldaan aan het verzoek om legitimatie van belanghebbende.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzet is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het verzet niet inhoudelijk beoordeelt en dat de bestreden uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.
3.Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:556.
4.Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.