ECLI:NL:HR:2026:556
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bevoegdheid bestuursrechter om recente machtiging te verlangen in bestuursprocesrecht
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, dat het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens het ontbreken van een recente machtiging van de gemachtigde [Y].
Het Hof had twijfels over de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [Y], omdat de oorspronkelijke volmacht van februari 2022 algemeen en doorlopend was, en de machtiging niet specifiek was voor de procedure. Het Hof gaf [Y] de gelegenheid een recente machtiging te overleggen, wat zij niet tijdig deed met betrekking tot de procedure in hoger beroep, waarna het Hof het beroep niet-ontvankelijk verklaarde.
De Hoge Raad overweegt dat bestuursrechters op grond van artikel 8:24, lid 2, Awb bevoegd zijn om in het belang van een goede rechtspleging eisen te stellen aan de machtiging, waaronder het vragen van een recente en procedure-specifieke machtiging. De Hoge Raad komt hiermee terug op een eerdere lijn uit 2013 en bevestigt dat het vragen van een nieuwe machtiging ook zonder concrete aanwijzingen voor het beëindigen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid is toegestaan.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt daarmee de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep door het Hof. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een recente machtiging.