ECLI:NL:RBZWB:2026:6506

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/6818
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:85 AwbArt. 8:54 AwbTitel 4.4 AwbAfdeling 4.4.2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen onbevoegdverklaring rechtbank inzake rentebeschikking proceskostenvergoeding afgewezen

Belanghebbende stelde een verzoek in op 3 juni 2025 om een rentebeschikking vast te stellen vanwege het niet tijdig uitbetalen van de proceskostenvergoeding en het griffierecht, voortvloeiend uit een eerdere uitspraak van 14 oktober 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

De rechtbank had op 27 februari 2026 geoordeeld dat zij onbevoegd was om kennis te nemen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op dit verzoek. Belanghebbende maakte hiertegen verzet, stellende dat artikel 4:85 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van toepassing zou zijn op een na de gerechtelijke procedure gedaan verzoek om vergoeding van wettelijke rente.

De rechtbank oordeelt dat de regels van afdeling 4.4.2 van de Awb niet van toepassing zijn op verplichtingen tot betaling die bij uitspraak van de bestuursrechter zijn opgelegd. Hierdoor is de civiele rechter bevoegd voor geschillen over de uitvoering van de gerechtelijke uitspraak. Het verzet wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de rechtbank bevestigt haar onbevoegdheid om kennis te nemen van het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/6818

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. A. Bakker, verbonden aan Maatschap [maatschap] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 27 februari 2026 in het geding tussen
belanghebbende
en

de heffingsambtenaar van SaBeWa Zeeland, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 27 februari 2026 waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard. Het beroep is ingesteld, omdat de heffingsambtenaar volgens belanghebbende niet op tijd heeft beslist op het verzoek van 3 juni 2025 om een rentebeschikking vast te stellen. Het verzoek is gedaan vanwege het niet tijdig uitbetalen van de proceskostenvergoeding en griffierecht naar aanleiding van de uitspraak van 14 oktober 2025 van de rechtbank Zeeland – West-Brabant. [1]
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Gemachtigde heeft zich op 6 juli 2026 afgemeld voor de zitting. Gemachtigde heeft daarbij de suggestie gedaan om de zitting te verzetten. De rechtbank heeft in dat wat is aangevoerd geen aanleiding gezien de zitting te verdagen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 27 februari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat zij onbevoegd is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.2
Belanghebbende heeft in zijn verzetschrift aangevoerd dat artikel 4:85 van Pro de Awb slechts uitsluit dat titel 4.4 van de Awb van toepassing is op geldschulden die rechtstreeks uit een rechtelijke uitspraak voortvloeien. Volgens belanghebbende geldt die uitsluiting niet voor een na de gerechtelijke procedure gedaan verzoek om vergoeding van wettelijke rente wegens het uitblijven van het betalen van proceskostenvergoeding en het griffierecht.
2.3
Naar het oordeel van de rechtbank is bij de in verzet bestreden uitspraak terecht en op goede gronden geoordeeld dat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van het beroep. De regels in afdeling 4.4.2 van de Awb zijn niet van toepassing op verplichtingen tot betaling die bij uitspraak van de bestuursrechter zijn opgelegd. [3] Dat betekent dat titel 4.4 van de Awb niet van toepassing is op de betaling van een proceskostenvergoeding en de vergoeding van het griffierecht waartoe de heffingsambtenaar bij rechtelijke uitspraak van 14 oktober 2025 is veroordeeld. Een bestuursrechtelijke regeling ontbreekt derhalve, waardoor de civiele rechter bevoegd is ten aanzien van geschillen over de uitvoering van de gerechtelijke uitspraak. De door belanghebbende aangevoerde standpunten omtrent artikel 4:85 van Pro de Awb vinden geen steun in het recht.

Conclusie en gevolgen

3. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 27 februari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6911.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Dit staat in artikel 4:85, derde lid, van de Awb.