Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit [plaats 1] , eiser
de minister van Defensie, de minister.
Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:
De Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat, verweerder in het verzoek tot immateriële schadevergoeding.
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
- Het stoppen en langdurig nakijken van auto’s tijdens het passeren;
- Het enige tijd langs de kant van de weg staan;
- Betrokkene keek ons aan toen beklaagde/n in hun achteruitkijkspiegel keken;
- ‘Voorbijganger die ten tijde van staande houding passeerde in een auto gaf ons aan BE al tegen te zijn gekomen in [plaats 2] waar BE slaande en schoppende bewegingen zou hebben gemaakt’;
- Het aanspreken door de medewerkers van de KMar met de vraag wat hij daar deed moet verwijderd worden, omdat dat pas bij de 33ste seconde is gevraagd;
- ‘BE reageerde meteen verbaal agressief toen wij hem aanspraken en vroeg wat de reden van de staande houding was’;
- De reactie van de politie in de mutatie moet verwijderd worden;
- Het twee keer heen en weer oversteken moet aangepast worden naar ‘ik stak over en toen reed de betreffende marechaussee bus langs om vervolgens terug over te steken’; en
- De vraag om te legitimeren moet in de mutatie voorafgaand aan de vraag wat hij daar aan het doen was gezet worden.