ECLI:NL:RBZWB:2026:6678

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/4334
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:90 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:54 AwbInvorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen onbevoegdheidsverklaring rechtbank inzake contante belastingbetaling ongegrond

Belanghebbende heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2026, waarin de rechtbank zich onbevoegd verklaarde om kennis te nemen van het geschil over het contant betalen van belastingen aan de ontvanger van de Belastingdienst.

De rechtbank heeft het verzet op 7 juli 2026 behandeld en beoordeelt of de onbevoegdheidsverklaring terecht is. Belanghebbende stelt dat artikel 4:90 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het contant betalen mogelijk maakt en dat sprake is van een bestuursrechtelijk geschil. De rechtbank oordeelt echter dat de weigering van de ontvanger om contant geld te accepteren geen besluit in de zin van de Awb is, maar een feitelijke handeling.

Omdat het handelen van de ontvanger mede gebaseerd is op de Invorderingswet 1990, waarvoor de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak bepaalt dat geen beroep openstaat bij de belastingrechter, is de rechtbank onbevoegd. De civiele rechter is wel bevoegd om over dit geschil te oordelen, waardoor de rechtsbescherming gewaarborgd blijft.

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en bevestigt daarmee haar eerdere onbevoegdheidsverklaring. Partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Het verzet tegen de onbevoegdheidsverklaring van de rechtbank wordt ongegrond verklaard en de rechtbank blijft onbevoegd om kennis te nemen van het geschil over contante belastingbetaling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4334

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende.

tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2026 in het geding tussen
belanghebbende
en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2026 waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard. Belanghebbende acht het onjuist dat de rechtbank is overgegaan tot kennelijke onbevoegdheidsverklaring. Belanghebbende heeft een geschil met de ontvanger over het contant betalen van haar belastingen.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende samen met de heer [persoon] deelgenomen. Namens de ontvanger heeft mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en [inspecteur 3] deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.
2.1
De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 26 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat de rechtbank onbevoegd is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.2
Belanghebbende heeft ter zitting aangevoerd dat zij haar belasting wil betalen, maar wel contant. Belanghebbende stelt dat artikel 4:90 van Pro de Awb deze mogelijkheid biedt. Volgens belanghebbende is sprake van een bestuursrechtelijk geschil, maar heeft de ontvanger in de brief nagelaten te vermelden dat deze beslissing berust op artikel 4:90 van Pro de Awb.
2.3
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.4
De rechtbank is van oordeel dat de beslissing van de ontvanger een weigering behelst om een feitelijke handeling te verrichten, te weten het niet accepteren van contant geld. [2] Als zodanig is dat dus geen besluit op grond van de Awb waartegen beroep kan worden ingesteld, en waardoor dus ook het middel van bezwaar niet openstaat. [3]
2.5
Het handelen van de ontvanger vindt (mede) plaats op grond van de aan hem op grond van de Invorderingswet 1990 toekomende bevoegdheden. Hoewel de ontvanger bij de uitoefening van deze bevoegdheden de bepalingen van de Awb in acht dient te nemen, betekent dit niet dat sprake is van een voor bezwaar vatbare beschikking zoals hiervoor geoordeeld. Aangezien het handelen van de ontvanger (mede) haar grondslag vindt in de IW, is de mogelijkheid tot het maken van beroep uitgesloten op grond van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die is opgenomen in de bijlage die bij de Awb behoort. In die bijlage wordt de IW genoemd. Er is dus sprake van handelen waar geen beroep bij de belastingrechter tegen is opengesteld. Dit brengt mee dat geen beroep openstaat. [4]
2.6
De bestuursrechter, waaronder ook de belastingrechter, is dan ook niet bevoegd om van dit geschil kennis te nemen.
2.7
De rechtsbescherming wordt gewaarborgd doordat partijen zich kunnen wenden tot de civiele rechter. De civiele rechter is ter zake bevoegd. Dat dit mogelijk meer kosten meebrengt, maakt niet dat er geen toegang tot de rechter is.

Conclusie en gevolgen

3. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 26 januari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier.
De rechter is buiten staat te tekenen.
griffier rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 13 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3999.
3.Artikel 8:1 van Pro de Awb in verbinding met artikel 7:1 van Pro de Awb.
4.Vgl. Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:674