ECLI:NL:RBZWB:2026:67
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de WOZ-waarde van een vrijstaande woning in Oisterwijk
In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, gedaan op 12 januari 2026, wordt het beroep van de belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk beoordeeld. De heffingsambtenaar had de waarde van de onroerende zaak, een vrijstaande woning, vastgesteld op € 1.188.000 per 1 januari 2023, wat leidde tot een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2024. De belanghebbende, eigenaar van de woning, had bezwaar gemaakt tegen deze waardevaststelling, maar de heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank heeft op 1 december 2025 de zaak behandeld, waarbij de echtgenoot van de belanghebbende en vertegenwoordigers van de heffingsambtenaar aanwezig waren. De rechtbank beoordeelt of de vastgestelde waarde van de woning te hoog is. De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar voldoende onderbouwing heeft gegeven voor de WOZ-waarde door middel van vergelijkingsmethoden en taxatierapporten. De rechtbank oordeelt dat de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn en dat de heffingsambtenaar rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning van de belanghebbende en de referentiewoningen.
Uiteindelijk komt de rechtbank tot de conclusie dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep van de belanghebbende ongegrond. Dit betekent dat de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven, en de belanghebbende krijgt geen griffierecht of vergoeding van proceskosten terug.