ECLI:NL:RBZWB:2026:680

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
BRE 24/8028 en 24/8029
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbArt. 8:58 AwbArt. 8:59 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en Zvw 2017 na nieuw feit

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en Zorgverzekeringswet (Zvw) over 2017, opgelegd door de inspecteur. De inspecteur baseerde de aanslagen op een nieuw feit, namelijk een door belanghebbende aan de bank verstrekte aangifte die afweek van de eerder ingediende aangifte.

De rechtbank heeft vastgesteld dat belanghebbende de aangifte IB/PVV en Zvw 2017 te laat en incompleet had ingediend, waarbij winst uit onderneming niet was aangegeven. Later werd een nieuwe aangifte ingediend met een negatieve winst. De inspecteur ontdekte via een derdenonderzoek bij de bank een andere aangifte met een hogere winst, wat als nieuw feit geldt.

Belanghebbende voerde aan dat het om een conceptaangifte ging en stelde schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het inzagerecht. De rechtbank verwierp deze stellingen, oordeelde dat de inspecteur zorgvuldig had gehandeld en dat het nieuwe feit rechtvaardigt dat navordering mogelijk is.

De rechtbank concludeert dat de navorderingsaanslagen en de belastingrente terecht en naar de juiste hoogte zijn opgelegd. De beroepen worden ongegrond verklaard, en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2017 en de belastingrente zijn terecht opgelegd; de beroepen worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/8028 en 24/8029
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 30 november 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2017 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 115.793 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 124. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2017 ook een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdragen voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een (maximum) bijdrage-inkomen van € 53.701. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag IB/PVV heeft de inspecteur belanghebbende € 9.513 belastingrente in rekening gebracht en gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag Zvw heeft de inspecteur belanghebbende € 159 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen).
1.2.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 29 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen. Namens de inspecteur hebben [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen en de belastingrentebeschikkingen terecht en naar de juiste hoogten zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de navorderingsaanslagen en de belastingrentebeschikkingen terecht en naar de juiste hoogten opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand voor het doen van aangifte IB/PVV en Zvw 2017. In de aanmaning heeft belanghebbende tot uiterlijk 7 augustus 2019 de tijd gekregen om de aangifte in te dienen.
4.1.
Belanghebbende heeft op 6 augustus 2019 een aangifte IB/PVV en Zvw 2017 ingediend. Hierin is geen winst uit onderneming aangegeven. Alle rubrieken die betrekking hebben op winst uit onderneming, hieronder begrepen de balans en de winst- en verliesrekening, zijn niet ingevuld.
4.2.
De inspecteur heeft met dagtekening 15 februari 2022 de primitieve aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2017 aan belanghebbende opgelegd. Belanghebbende is tegen deze aanslagen in bezwaar en in beroep gegaan. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 8 april 2024 uitspraak gedaan over deze primitieve aanslagen. [1] Beide partijen zijn tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan.
4.3.
Belanghebbende heeft op 18 september 2022 een nieuwe aangifte IB/PVV 2017 ingediend. Hierin is een belastbare winst uit onderneming van negatief € 113.039 aangegeven en zijn alle rubrieken die betrekking hebben op winst uit onderneming, hieronder begrepen de balans en de winst- en verliesrekening, ingevuld. Uit deze aangifte volgt een resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening van € 198.492 waarop een buitengewone last van € 311.531 in mindering is gebracht. Belanghebbende heeft toegelicht dat de buitengewone last bestaat uit een afwaardering van een vordering op [B.V.] van € 222.055 en een afboeking wegens oninbare debiteuren van € 89.476.
4.4.
De inspecteur heeft naar aanleiding van de aanslagregeling over het jaar 2019 het hypotheekdossier van belanghebbende opgevraagd bij de [bank] . In dit dossier zat een door belanghebbende opgemaakte aangifte IB/PVV en Zvw voor het jaar 2017. Uit deze aangifte en de daarbij gevoegde balans en winst- en verliesrekening volgt een winst uit onderneming van € 151.447. Uitgaande van dit bedrag aan winst, heeft de inspecteur bij opleggen van de navorderingsaanslag het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 115.793 (en het bijdrage inkomen Zvw op het maximum van € 53.701).
4.5.
Naar aanleiding van een brief bij het beroepschrift waarin belanghebbende stelt dat hij de [bank] heeft geïnformeerd dat de overgelegde aangifte een conceptaangifte betrof, heeft de inspecteur een nieuw derdenonderzoek gedaan bij de [bank] . Hierbij is aan de [bank] gevraagd of zij in bezit was van een brief van belanghebbende waaruit onder meer volgt dat de aangifte inkomstenbelasting 2017 een conceptaangifte is. De [bank] heeft de inspecteur bericht deze brief niet te hebben ontvangen.

Motivering

Vooraf: op de zaak betrekking hebbende stukken en stukken belanghebbende
5. Op grond van artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dienen alle op de zaak betrekking hebbende stukken door de inspecteur overgelegd te worden. Belanghebbende heeft daarom verzocht om de volledige stukken van beide derdenonderzoeken, interne notities en registraties met betrekking tot overlegverzoeken, stukken met betrekking tot de heer [naam] , de volledige aanslagberekening en herleiding en interne bewijswaarderingen met betrekking tot het dossier van de [bank] .
5.1.
Dit verzoek is ter zitting besproken en door de rechtbank afgewezen. Belanghebbende heeft in het beroepschrift en ter zitting niet kunnen specificeren om welke stukken hij precies verzoekt. Daarmee heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat er op de zaak betrekking hebbende stukken zijn die de inspecteur niet heeft overgelegd. Belanghebbende heeft wel uitgelegd dat er een bandopname van een hoorgesprek ontbreekt in de stukken. Belanghebbende heeft echter erkend dat dit hoorgesprek zag op andere belastingjaren dan het jaar 2017. Daarom behoort dit niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken.
5.2.
Uit het dossier volgt geen aanwijzing dat de heer [naam] betrokken is geweest bij de zaken van belanghebbende. In het dossier zit een brief van 20 maart 2019 van de inspecteur waaruit wordt gesteld dat de heer [naam] op geen enkele manier bij het dossier van belanghebbende betrokken is geweest als medewerker van de Belastingdienst. De stukken met betrekking tot de heer [naam] , waar belanghebbende om heeft verzocht, zijn geen op de zaak betrekking hebbende stukken omdat niet aannemelijk is dat de heer [naam] betrokken is geweest bij zijn zaken.
5.3.
Belanghebbende heeft ter zitting aangegeven nog stukken te kunnen overleggen. Ook dit verzoek is ter zitting afgewezen omdat het te laat is ingediend. Partijen hebben tot tien dagen vóór de zitting om stukken in te dienen. [2]
Heeft de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?
6. Belanghebbende stelt dat de inspecteurs handelen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat er misbruik wordt gemaakt van een ambtsbevoegdheid omdat de heer [naam] zowel inspecteur als fiscaal adviseur is. Belanghebbende stelt eveneens dat sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel omdat er geen onderzoek is gedaan naar de primaire administratie en omdat de inspecteur overlegverzoeken negeert. Het motiveringsbeginsel is volgens belanghebbende geschonden omdat de inspecteur de stelling dat de vordering op [B.V.] niet aftrekbaar is niet motiveert. Belanghebbende stelt ook dat er strijd is met het fair play beginsel en doelbinding, hetgeen de rechtbank heeft opgevat als het verbod van détournement de pouvoir, omdat het tweede derdenonderzoek niet is ingezet om de belastingschuld vast te stellen maar om een processtelling te neutraliseren. Daarnaast is er volgens belanghebbende strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat zijn bezwaarschrift niet gegrond is verklaard terwijl dit bij 11.500 andere bezwaarschriften wel is gedaan. Belanghebbende stelt tevens dat de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan omdat er vooraf aan het opleggen van de navorderingsaanslagen geen nader onderzoek is ingesteld. De inspecteur betwist dat sprake is van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en stelt dat belanghebbende zijn stellingen onvoldoende onderbouwd heeft.
6.1.
De rechtbank sluit aan bij rechtsoverweging 4.3.1. van de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 april 2024 en oordeelt dat niet is gebleken dat de heer [naam] betrokken is geweest bij de zaken van belanghebbende en dat daarom ook geen algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden of dat sprake is van misbruik van een ambtsbevoegdheid. [3]
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn ook het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het fair play beginsel, het verbod op détournement de pouvoir en het gelijkheidsbeginsel niet geschonden. De inspecteur heeft ook geen ambtelijk verzuim begaan. De inspecteur heeft zorgvuldig gehandeld door een derdenonderzoek uit te voeren en het hypotheekdossier op te vragen. Het zorgvuldigheidsbeginsel is daardoor niet geschonden en er is tevens geen sprake van een ambtelijk verzuim. Daarnaast heeft de inspecteur de stelling dat de vordering op [B.V.] niet aftrekbaar is gemotiveerd door te verwijzen naar de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 april 2024. Van schending van het fair play beginsel of détournement de pouvoir is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake omdat het tweede derdenonderzoek wel degelijk van belang is geweest voor het vaststellen van de belastingschuld van belanghebbende. Met het tweede derdenonderzoek is namelijk onderzocht of de [bank] wist dat sprake was van een conceptaangifte. Daarnaast is het gelijkheidsbeginsel niet geschonden omdat de situatie waar belanghebbende naar verwijst geen gelijk geval is. De 11.500 gegronde bezwaren zien op invorderingskosten en daar gaan de zaken van belanghebbende niet over.
Is het inzagerecht geschonden?
7. Belanghebbende stelt dat het inzagerecht is geschonden en verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2016. [4]
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het door belanghebbende aangehaalde arrest niet van toepassing op deze zaken. Belanghebbende heeft namelijk zelf afgezien van een hoorgesprek. Het inzagerecht is gekoppeld aan het hoorrecht waardoor ook afgezien is van het inzagerecht. [5] Het inzagerecht is daarom niet geschonden.
Zijn de navorderingsaanslagen terecht en naar de juiste hoogte opgelegd?
Is sprake van een nieuw feit waardoor navordering mogelijk is?
8. De inspecteur kan te weinig geheven belasting navorderen, wanneer enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag op een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren. Dit is alleen anders wanneer sprake is van kwade trouw bij de belastingplichtige. Daarnaast mogen er nog geen vijf jaren verlopen zijn na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De bewijslast om aannemelijk te maken dat sprake is van een nieuw feit rust op de inspecteur.
8.1.
De inspecteur stelt dat sprake is van een nieuw feit. De inspecteur heeft in het kader van een derdenverzoek bij de aanslagregeling over 2019 het hypotheekdossier van belanghebbende verkregen van de [bank] . Daarin was een aangifte IB/PVV en ZVW 2017 opgenomen (zie 4.4). Belanghebbende betwist dat sprake is van een nieuw feit. Volgens belanghebbende heeft hij een conceptaangifte aan de [bank] overgelegd. Daarnaast heeft de inspecteur een ambtelijk verzuim begaan bij het opleggen van de primitieve aanslagen IB/PVV en Zvw 2017. Hij had vanwege het feit dat een aangifte is ingediend met een belastbaar inkomen uit woning en werk van nihil, een nader onderzoek moeten instellen alvorens de primitieve aanslagen op te leggen, aldus belanghebbende.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur de primitieve aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 ambtshalve heeft vastgesteld waarbij de winst uit onderneming bij schatting is vastgesteld op een bedrag van € 60.000.
8.3.
De inspecteur kan bij het bij het regelen van de aanslagen IB/PVV en Zvw in het algemeen volstaan met het raadplegen van het (digitale) dossier dat de aangiften en andere gegevens bevat met betrekking tot de heffing van IB/PVV en Zvw van de belastingplichtige. De inspecteur is slechts dan tot een onderzoek buiten dit dossier gehouden, indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven. [6] Deze regel is ook van toepassing bij het opleggen van ambtshalve aanslagen.
8.4.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur bij de aanslagregeling over 2019 het hypotheekdossier van belanghebbende heeft opgevraagd bij de [bank] . Eerst op dat moment heeft de inspecteur kennis genomen van de door belanghebbende aan de [bank] verstrekte aangifte IB/PVV en Zvw 2017.
8.5.
De rechtbank overweegt dat de [bank] in het kader van de hypotheekaanvraag de aangiften IB/PVV over de voorgaande drie jaren van belanghebbende heeft opgevraagd. De rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat een hypotheekverstrekker bij de beoordeling van de kredietwaardigheid zal uitgaan van voorlopige en niet verifieerbare stukken, zoals een conceptaangifte. Uit het dossier van [bank] valt volgens de rechtbank op geen enkele wijze af te leiden dat sprake is van een conceptaangifte. De cijfers opgenomen in de balans en verlies- en winstrekening zijn specifiek en lijken geen schattingen, wat eerder verwacht wordt bij een concept. De rechtbank acht tevens van belang dat de [bank] de inspecteur heeft geïnformeerd geen brief van belanghebbende te hebben ontvangen waarin hij aangeeft dat de overgelegde aangifte een conceptaangifte betrof (zie 4.5). Ter zitting heeft belanghebbende verklaard niet in een later stadium alsnog een definitieve aangifte aan de [bank] te hebben overgelegd.
8.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur bij het opleggen van de primitieve aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 de winst uit onderneming redelijkerwijs geschat op basis van de op dat moment in het dossier van belanghebbende aanwezige gegevens. Naar het oordeel van de rechtbank was er daarbij geen aanleiding om een nader onderzoek te doen.
8.7.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur over een nieuw feit beschikt dat navordering rechtvaardigt.
Omkering en verzwaring van de bewijslast
9. De inspecteur stelt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan omdat alle rubrieken die betrekking hebben op de winst onderneming met nihil zijn ingevuld in de aangifte IB/PVV en Zvw 2017 die belanghebbende op 6 augustus 2019 heeft ingediend. Belanghebbende betwist dat de vereiste aangifte niet is gedaan.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat de beroepsgrond over de omkering en verzwaring van de bewijslast reeds beoordeeld is door de rechtbank Zeeland-West-Brabant (voetnoot 1). De rechtbank overweegt dat het feitencomplex in deze zaak en de zaak in de procedure van de voornoemde uitspraak gelijkluidend is. De rechtbank sluit aan bij rechtsoverweging 4.7 van voornoemde uitspraak en is van oordeel dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast.
Redelijke schatting
10. Bij omkering en verzwaring van de bewijslast moet de rechtbank beoordelen:
1. Of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja,
2. of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de aanslagen onjuist zijn.
10.1.
De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen gebaseerd op de aangifte die belanghebbende heeft overgelegd aan de [bank] voor een hypotheekaanvraag. Hierbij heeft de inspecteur nog rekening gehouden met niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek uit het verleden.
10.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de winst uit onderneming redelijkerwijs kunnen schatten aan de hand van de aangifte die belanghebbende heeft verstrekt aan de [bank] . De rechtbank acht het niet aannemelijk dat belanghebbende een conceptaangifte heeft verstrekt aan de [bank] (zie rechtsoverweging 8.5.).
10.3.
Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een afschrijving van de goodwill en met de aftrekbaarheid van de vordering op [B.V.]
10.4.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende deze specifieke posten in de aan [bank] verstrekte aangifte niet in aftrek heeft genomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet doen blijken dat de schatting van de inspecteur te hoog is. De rechtbank sluit met betrekking tot de afwaardering van de vordering op [B.V.] aan bij rechtsoverweging 4.8.5. van de voornoemde uitspraak van de rechtbank Zeeland – West-Brabant (zie voetnoot 1).
10.5.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2017 terecht en naar de juiste hoogten zijn opgelegd.
Belastingrente
11. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie en gevolgen

12. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2017 en de bijbehorende belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 8 april 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2292.
2.Artikel 8:58, eerste lid, van de Awb.
3.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 8 april 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2292.
4.Hoge Raad 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:114.
5.Hoge Raad 7 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:AE3833.
6.Hoge Raad 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:249, r.o. 2.3