ECLI:NL:RBZWB:2026:718

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/3657
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 2:19 BWArt. 2:23c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep na ontbinding rechtspersoon zonder gemachtigde vereffenaar

Eiseres, een besloten vennootschap, was op 20 december 2024 ontbonden wegens het ontbreken van baten. Op 28 juli 2025 stelde eiseres beroep in tegen een naheffingsaanslag van de Belastingdienst. De rechtbank oordeelt dat een ontbonden rechtspersoon zelf geen rechtsmiddelen kan aanwenden, tenzij het beroep wordt ingesteld door of namens de voormalige vereffenaar.

In deze zaak is niet gesteld of gebleken dat degene die het beroep heeft ingesteld tevens namens de voormalige vereffenaar handelde. De rechtbank is ook niet bekend met de identiteit van de voormalige vereffenaar. Hierdoor is niet aannemelijk geworden dat het beroep door een daartoe gerechtigde is ingesteld.

De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Hoge Raad waarin is bepaald dat de termijn voor bezwaar begint te lopen na heropening van de vereffening. Hoewel de aanslag werd opgelegd toen eiseres nog bestond, is het beroep na ontbinding ingesteld, waardoor het beroep niet-ontvankelijk is.

De rechtbank beoordeelt de zaak niet inhoudelijk, verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep van de ontbonden rechtspersoon is niet-ontvankelijk verklaard omdat niet is aangetoond dat het is ingesteld door of namens de voormalige vereffenaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/3657

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., statutair gevestigd in [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding en feiten

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 8 juli 2025. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorfietsen met [aanslagnummer] .
1.1.
In het handelsregister van de Kamer van Koophandel is geregistreerd dat eiseres is ontbonden met ingang van 20 december 2024, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn.
1.2.
Eiseres heeft op 28 juli 2025 beroep ingesteld.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.1.
Eiseres is door haar ontbinding, bij gebrek aan baten, op 20 december 2024 opgehouden te bestaan. [1] De rechtbank stelt vast dat de machtiging namens de bewaarder van boeken en bescheiden is ondertekend. Degene die getekend heeft is de bestuurder van eiseres. De rechtbank constateert dat niet gesteld of gebleken is dat de vereffening op enig moment is heropend. [2] Dit betekent dat eiseres op 28 juli 2025 als niet bestaande rechtspersoon zelf geen rechtsmiddelen kon aanwenden, zoals het instellen van beroep.
2.2.
De Hoge Raad heeft geoordeeld in een zaak waarin de aanslag werd opgelegd op een moment dat de rechtspersoon al was ontbonden, dat de termijn voor het indienen van bezwaar pas aanvangt zodra, nadat die vereffening is heropend, die aanslag aan de vereffenaar is bekend gemaakt. Echter, voordat de vereffening is heropend kan al wel beroep worden ingesteld op naam van de ontbonden rechtspersoon door of namens de voormalige vereffenaar of degene wiens belang rechtstreeks bij de vereffening is betrokken omdat hij een uitkering heeft ontvangen uit hetgeen na de voldoening van de schuldeisers van het vermogen van een ontbonden rechtspersoon was overgebleven. [3] De Hoge Raad heeft deze mogelijkheid aanvaard omdat de rechtspersoon na een heropening van de vereffening kan worden geconfronteerd met de gevolgen van de aanslag, en aldus belang kan hebben bij een daartegen gericht bezwaar. [4]
2.3.
In dit geval is de aanslag opgelegd toen eiseres nog niet was ontbonden. De termijn voor het indienen van het bezwaar is dus gewoon gaan lopen en eiseres heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt. Zij is pas ontbonden op 20 december 2024. In zoverre is de situatie anders dan de situatie waarover de Hoge Raad heeft geoordeeld. Dit neemt niet weg dat ook eiseres op dit moment zelf geen beroep kan instellen, maar wel na een heropening van de vereffening kan worden geconfronteerd met de gevolgen van de aanslag, en aldus belang kan hebben bij een daartegen gericht beroep. In zoverre zijn de situaties dus gelijk. De rechtbank oordeelt daarom dat beroep kan worden ingesteld – en dus niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft – in de door de Hoge Raad genoemde gevallen, dus als beroep is ingesteld door of namens de voormalige vereffenaar of degene wiens belang rechtstreeks bij de vereffening is betrokken omdat hij een uitkering heeft ontvangen uit hetgeen na de voldoening van de schuldeisers van het vermogen van een ontbonden rechtspersoon was overgebleven.
2.4.
Niet gesteld of gebleken is dat degene die de machtiging heeft afgegeven dat tevens namens de voormalige vereffenaar heeft gedaan. De rechtbank is ook niet bekend wie de voormalige vereffenaar van eiseres is. De conclusie is dan ook dat niet aannemelijk is geworden dat beroep is ingesteld door iemand die daartoe gerechtigd was. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 6 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie hiervoor artikel 2:19, eerste en vierde lid van het Burgerlijk Wetboek.
2.Zie hiervoor artikel 2:23c van het Burgerlijk Wetboek.
3.Vgl. Hoge Raad 19 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK8288.
4.Hoge Raad 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1080.