Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
[A] heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van [A] verworpen tegen het oordeel van het Gerechtshof Den Haag dat het bezwaar tegen een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting over 2011 niet-ontvankelijk is. De navorderingsaanslag was opgelegd aan [X1] Ltd, een vennootschap die in 2012 is geliquideerd en opgehouden te bestaan, waarbij heropening van de vereffening volgens het toepasselijke Guernsey-recht niet mogelijk is.
De aandeelhouder had namens de vennootschap bezwaar gemaakt tegen de aanslag, maar het Hof oordeelde dat dit bezwaar niet-ontvankelijk was omdat de vennootschap niet kan herleven en de termijn voor bezwaar pas begint na heropening van de vereffening. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst op het arrest van 19 september 2003, waarin is bepaald dat bezwaar pas ontvankelijk is na heropening van de vereffening.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het instellen van een principaal cassatieberoep niet onder voorwaarden kan geschieden en dat het Hof terecht ambtshalve de ontvankelijkheid van het bezwaar heeft beoordeeld. Het beroep in cassatie faalt ook in het betoog dat het arrest van 19 september 2003 niet van toepassing zou zijn. De Hoge Raad stelt dat er geen rechtstekort ontstaat voor de aandeelhouder omdat hij in een procedure over een aan hem opgelegde boete de navorderingsaanslag als grondslag kan betwisten.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelt de proceskosten niet.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de navorderingsaanslag is niet-ontvankelijk.