ECLI:NL:RBZWB:2026:767

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
BRE 24/4257 t/m 24/4259
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet-tijdig ingediend bezwaarschrift en niet-verschoonbare termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft verzet ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank van 10 september 2025 waarin zijn beroepen ongegrond werden verklaard. Het geschil betreft de vraag of bezwaarschriften tijdig zijn ingediend. Belanghebbende stelde dat bezwaarschriften op 4 september 2023 zijn verzonden, maar kon dit niet aannemelijk maken met enkel kopieën van brieven met die datum.

De rechtbank oordeelde dat niet aannemelijk is gemaakt dat de bezwaarschriften eerder dan 13 oktober 2023 zijn verzonden, waardoor deze niet tijdig zijn ingediend. De stelling dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding wegens vertrouwen op tijdige postbezorging werd verworpen. De rechtbank achtte het risico van het niet kunnen bewijzen hiervan voor rekening van belanghebbende.

Verder overwoog de rechtbank dat een zitting niet noodzakelijk was omdat de zaak geen onoplosbare feitelijke of juridische vragen bevatte en belanghebbende voldoende gelegenheid had gekregen om bewijs aan te leveren. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard omdat de bezwaarschriften niet tijdig zijn ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/4257 t/m 24/4259

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 op het verzet van

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 september 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 10 september 2025 waarin de rechtbank de beroepen van belanghebbende ongegrond heeft verklaard.
2. Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 10 september 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat de beroepen ongegrond zijn. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
4. Gemachtigde stelt dat de bezwaarschriften op 4 september 2023 en dus tijdig zijn verzonden. Gemachtigde heeft kopieën van deze bezwaarschriften met diezelfde datum. Gemachtigde stelt dat hij op basis van zijn reguliere werkwijze en interne kantoorprocedure aannemelijk heeft gemaakt dat de stukken tijdig zijn gepost. Gemachtigde mocht er op vertrouwen dat de post tijdig zou worden bezorgd en vindt daarom dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Gemachtigde stelt dat de uitspraak onvoldoende voorbereid en gemotiveerd is, omdat uitspraak is gedaan zonder belanghebbende in de gelegenheid te stellen om de feiten mondeling toe te lichten.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Gemachtigde stelt dat hij op 4 september 2023 een bezwaarschrift heeft verzonden. Nu de inspecteur de ontvangst van het bezwaarschrift vóór 17 oktober 2023 betwist, is het aan gemachtigde om aannemelijk te maken dat hij een bezwaarschrift bij de inspecteur heeft ingediend.
7. Gemachtigde heeft met het enkel overleggen van een kopie van brieven met dagtekening 4 september 2023 niet aannemelijk gemaakt dat deze brieven ook daadwerkelijk zijn verzonden op die datum. Aangezien niet aannemelijk is gemaakt dat eerder dan 13 oktober 2023 brieven zijn verzonden, is voor het eerst met de brieven van 13 oktober 2023 bezwaar gemaakt. De bezwaarschriften zijn dus niet tijdig ingediend.
8. De rechtbank is van oordeel dat in de verzet bestreden uitspraak terecht is overwogen dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De stelling van belanghebbende dat hij tijdig heeft gehandeld en er op mocht vertrouwen dat de post tijdig zou worden bezorgd, wordt door de rechtbank verworpen. Immers acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat er tijdig gehandeld is. De omstandigheid dat belanghebbende dat niet kan bewijzen, valt in zijn risicosfeer. [2]
9. Tot slot overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak een zitting in elk geval niet te worden gehouden wanneer de zaak geen feitelijke of juridische vraagstukken oproept die niet naar behoren kunnen worden opgelost op basis van het dossier en de schriftelijke opmerkingen van de partijen. [3] Belanghebbende is bij berichten van 6 november 2024 en 15 januari 2025 in de gelegenheid gesteld aanvullende bewijsstukken aan te leveren om de verzending aannemelijk te maken. Gemachtigde heeft hier op gereageerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de rechtbank van een behandeling ter zitting af kon zien omdat buiten redelijke twijfel was dat de beroepen ongegrond zijn.

Conclusie en gevolgen

10. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 10 september 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr.W. Dekkers, griffier, op 9 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Vgl. Hoge Raad 11 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1423.
3.Hoge Raad 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:966.