Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:798

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
25/1397
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3 Algemene subsidieverordening gemeente TilburgArtikel 2.1 Leidraad integraal behandelen verzoeken CoronasteunArtikel 4:23, derde lid, Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidie coronasteun wegens ontbreken financiële noodzaak in 2021

Eiseres diende een aanvraag in voor coronasteun over het jaar 2021, welke door het college van burgemeester en wethouders van Tilburg werd afgewezen. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat het college bevoegd was de subsidie te weigeren omdat eiseres niet in financiële nood verkeerde zonder de subsidie.

De rechtbank overwoog dat het college de beoordeling van de levensvatbaarheid van eiseres mocht baseren op alle beschikbare reserves, inclusief het marketing- en evenementenfonds en het solidariteitsfonds. Eiseres had onvoldoende gemotiveerd waarom deze middelen buiten beschouwing moesten blijven. Daarnaast was er geen sprake van een gerechtvaardigd vertrouwen dat de subsidie voor 2021 zou worden toegekend, mede omdat de leidraad voor coronasteun op 8 december 2020 was vastgesteld en eiseres hiervan op de hoogte was.

Het beroep werd ongegrond verklaard omdat het college binnen de redelijke grenzen handelde en de afwijzing niet onevenredig was. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Eiseres kan nog in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de coronasteun voor 2021 wordt ongegrond verklaard omdat eiseres niet in financiële nood verkeerde.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1397

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. drs. E.G.M. Huisman),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres om financiële ondersteuning over het jaar 2021 vanwege de gevolgen van Covid-19.
1.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 22 december 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 januari 2025 (verzonden op 15 januari 2025) op het bezwaar van eiseres heeft het college de bezwaren ongegrond verklaard en de weigering in stand gelaten.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] (markt-/officemanager) en [naam 2] (penningmeester) namens eiseres, vergezeld door haar gemachtigde en mr. A.M.J. van den Biggelaar namens het college.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft op 11 december 2020 voor het eerst een aanvraag ingediend voor het ontvangen van coronasteun vanwege de extra kosten en gederfde inkomsten als gevolg van de coronamaatregelen voor het jaar 2020. Deze aanvraag is op 9 maart 2021 afgewezen, maar er is wel enige financiële tegemoetkoming toegekend. Op 5 april 2022 is het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. Op 9 april 2024 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. [1] Tegen deze ongegrondverklaring is hoger beroep ingesteld. Daarvan is de zitting op 11 februari 2026 gepland.
3.1.
Eiseres heeft op 9 maart 2022 opnieuw een aanvraag ingediend, maar dan voor het jaar 2021. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 22 december 2022 afgewezen.
3.2.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt op 31 januari 2023. Het college heeft met het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard.
Toetsingskader
4. De gemeenteraad heeft de Algemene subsidieverordening gemeente Tilburg (geldend van 1 januari 2017 tot en met 12 oktober 2023) (hierna: subsidieverordening) vastgesteld. Op grond van de subsidieverordening is het college bevoegd om besluiten te nemen over subsidies met inachtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen financiële middelen en de door de raad vastgestelde beleidskaders. [2] Geruime tijd was nog geen beleidsregel vastgesteld voor het toekennen van steun naar aanleiding van de geleden schade als gevolg van de coronamaatregelen. Er waren dus nog geen concrete criteria vastgesteld voor het toekennen van steun. Dit betekent dat destijds (voorafgaand aan de hierna te noemen leidraad) geen uitwerking van de wettelijke basis bestond voor het college voor het toekennen van een dergelijke subsidie.
4.1.
Het college heeft op 8 december 2020 een leidraad vastgesteld voor het integraal behandelen van verzoeken om coronasteun (hierna: leidraad). Vanaf dat moment bestond de hiervoor bedoelde uitwerking van de wettelijke basis.
4.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Inhoudelijke beoordeling
Past het afwijzen van de aanvraag in de leidraad?
5. Eiseres heeft ter zitting erkend dat het college het kunnen voortbestaan van een organisatie als criterium mag nemen bij de beoordeling of coronasteun wordt toegekend. Daarbij mag het college volgens eiseres echter niet alle reserves meenemen in de beoordeling. Het college heeft ten onrechte het marketing- en evenementenfonds en het solidariteitsfonds betrokken bij de vraag of eiseres over voldoende eigen middelen en reserves beschikt. Met name het solidariteitsfonds, een soort broodfonds voor de aangesloten marktkooplieden, had buiten de beoordeling moeten worden gehouden.
5.1.
Het college heeft het verzoek om subsidie afgewezen omdat de aanvraag niet in lijn met stap 5 van de leidraad is. Eiseres beschikte volgens het college over voldoende eigen middelen en reserves om haar voortbestaan te garanderen. Het college wijst erop dat als niet aan de leidraad getoetst wordt, er geen publiekrechtelijke grondslag voor een subsidie is.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Allereerst geldt dat het besluit met de leidraad een publiekrechtelijke grondslag heeft. De leidraad geeft niet gedetailleerd uitsluitsel over de vraag hoe moet worden vastgesteld of het voortbestaan van een organisatie in gevaar is. Het is in beginsel aan het bestuursorgaan om invulling te geven aan de wijze waarop dit moet worden vastgesteld. Het college moet daarbij rekening houden met de belangen van de betrokken organisatie en het algemeen belang dat onder andere gediend is bij een goed budgetbeheer. De rechtbank zal slechts beoordelen of de invulling die het college hieraan geeft binnen de grenzen van de redelijkheid blijft. Eiseres heeft niet gemotiveerd aangegeven tot welke concrete onacceptabele gevolgen deze beoordeling heeft geleid. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding voor het oordeel dat het college in redelijkheid niet alle reserves en voorzieningen mee mocht nemen bij de beoordeling of een organisatie levensvatbaar is. Ook het gereserveerde bedrag in het solidariteitsfonds staat, hoewel oorspronkelijk bedoeld voor een andere situatie, immers ter beschikking aan eiseres.
Vertrouwensbeginsel
6. Volgens eiseres wordt niet aan de toetsing aan de leidraad toegekomen, omdat met een e-mail van 16 april 2020 het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat het volledige bedrag aan gederfde inkomsten en gemaakte kosten aan eiseres zou worden toegekend. Gedurende de coronatijd is voortdurend contact met het college geweest over de voortgang van de markt. Het college heeft daarbij niet gewaarschuwd dat de toezegging na het vaststellen van de leidraad niet meer van toepassing zou zijn.
6.1.
Wanneer een overheidsorgaan jegens de burger het vertrouwen wekt dat het van zijn bevoegdheden op een bepaalde, voor die burger gunstige, wijze gebruik zal maken, is dit overheidsorgaan onder omstandigheden gehouden om in overeenstemming met het opgewekte vertrouwen te handelen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft geoordeeld dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval als betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. [3]
6.2.
Het college heeft middels een e-mail van 16 april 2020 laten weten de inkomstenderving als gevolg van het niet meer mogen komen van non-food kramen volledig te vergoeden. Dit is beperkt tot een specifiek genoemd bedrag en tot 1 juni (2020). In de e-mail wordt ook aangegeven dat mogelijk een deel van de financiële reserves van eiseres ingezet moeten worden voor de overige door eiseres gemaakte kosten. Daarnaast heeft het college met de brief van 19 mei 2020 aangegeven dat de overige gemaakte kosten niet geheel voor de rekening van eiseres kunnen komen.
6.3.
De rechtbank overweegt dat de door eiseres aangehaalde berichten niet concreet zijn over de vraag welk deel van de kosten wel voor vergoeding in aanmerking zou komen. Ook gaan de berichten over – in ieder geval in eerste instantie – de periode tot 1 juni 2020. Over het kalenderjaar 2020 heeft het college ook een betaling gedaan. Gelet hierop kan de rechtbank niet oordelen dat toezeggingen zijn gedaan die het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat ook over 2021 een tegemoetkoming zou worden betaald. Daarbij speelt een belangrijke rol dat op 8 december 2020 een leidraad is vastgesteld, waaruit eiseres af had kunnen en moeten leiden dat een tegemoetkoming alleen zou worden verleend aan organisaties die in hun voortbestaan worden bedreigd. Hiermee kon en moest zij dus in 2021 rekening houden. Eiseres heeft tijdens de zitting ook bevestigd dat zij op de hoogte was van het feit dat de leidraad was vastgesteld. Het had dan op haar weg gelegen om zo snel mogelijk om opheldering te vragen wat de gevolgen zijn van de nieuwe leidraad. Dat heeft zij niet gedaan. Dat eiseres ervan uitging dat er voor haar niets zou veranderen, komt dan ook voor haar eigen rekening en risico. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank geen andere uitlatingen gedaan door het college waaruit kan worden afgeleid dat over het jaar 2021 een ander gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt bij eiseres.
Evenredigheidsbeginsel
7. Eiseres heeft nog aangevoerd dat de gevolgen van het besluit onevenredig zijn omdat haar pas na het maken van de extra kosten en het mislopen van inkomsten bekend werd dat zij geen tegemoetkoming zou krijgen. Op dat moment kon zij haar handelen daarop niet meer aanpassen.
7.1.
Zoals hiervoor is overwogen, komt het voor rekening en risico van eiseres dat zij – ondanks dat zij wist van de vastgestelde leidraad – niet aan het college heeft gevraagd of de leidraad ook voor haar gevolgen zou hebben. Onevenredig acht de rechtbank de afwijzing van de aanvraag dan ook niet. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat eiseres een beroep doet op een subsidie, waaraan het college voorwaarden mag stellen en eiseres niet aan die voorwaarden voldoet.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren, omdat het college mocht oordelen dat de tegemoetkoming niet paste in de voorwaarden van de leidraad. Hij heeft ook geen toezeggingen over 2021 gedaan die nu nagekomen moeten worden en van onevenredige gevolgen is geen sprake.
8.1.
Omdat het beroep ongegrond is, is er ook geen aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten of het terugbetalen van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 10 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene subsidieverordening gemeente Tilburg (geldend van 1 januari 2017 tot en met 12 oktober 2023)
Artikel 3
1. Het college is bevoegd te besluiten over het verlenen van subsidies met inachtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen financiële middelen en de door de raad vastgestelde beleidskaders en - indien de begroting nog niet is vastgesteld dan wel goedgekeurd - onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.
2. Het college is bevoegd om beleidsregels vast te stellen en om voorwaarden aan de subsidiebeschikking te verbinden.
3. Subsidie kan verleend worden aan rechtspersonen en aan natuurlijke personen.
Algemene subsidieverordening gemeente Tilburg 2023 (geldend vanaf 13 oktober 2023)
Artikel 2. Reikwijdte
2.1
Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is;
2.2
De ASVT is ook van toepassing op buitenwettelijke subsidies (te weten begrotingssubsidies en incidentele subsidies) als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is).
Leidraad integraal behandelen verzoeken Coronasteun (vastgesteld op 8 december 2020)
Artikel 2.1, stap: ‘Financiële analyse’
Om de aard en omvang van de steunaanvraag te kunnen beoordelen wordt een financiële analyse gestart. (…) De financiële analyse richt zich op de levensvatbaarheid van de organisatie, de oorzaak van het probleem (is het probleem veroorzaakt door Corona?) en de mate en omvang waarin een eenmalige financiële impuls hieraan een bijdrage kan leveren.

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 april 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2148.
2.Artikel 3, eerste lid, van de subsidieverordening.
3.ABRvS, 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1239.