ECLI:NL:RBZWB:2026:82
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de hoorplicht in belastingzaken met betrekking tot WOZ-waarde
In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 12 januari 2026, wordt het beroep van de belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg beoordeeld. De heffingsambtenaar had de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 280.000 per 1 januari 2022, wat leidde tot een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2023. De belanghebbende, vertegenwoordigd door een gemachtigde, had bezwaar aangetekend en verzocht om gehoord te worden. De rechtbank behandelt de vraag of de hoorplicht is geschonden, aangezien de gemachtigde niet op de uitnodiging tot een hoorgesprek heeft gereageerd. De rechtbank concludeert dat de hoorplicht niet is geschonden, omdat de gemachtigde niet heeft gereageerd op de vraag of hij gehoord wilde worden, ondanks dat hij eerder om een hoorzitting had gevraagd. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar er vanuit mocht gaan dat er geen hoorzitting meer gewenst was. Het beroep van de belanghebbende wordt ongegrond verklaard, en er wordt geen griffierecht of proceskostenvergoeding toegekend.