ECLI:NL:RBZWB:2026:82

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
BRE 24/5544
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de hoorplicht in belastingzaken met betrekking tot WOZ-waarde

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 12 januari 2026, wordt het beroep van de belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg beoordeeld. De heffingsambtenaar had de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 280.000 per 1 januari 2022, wat leidde tot een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2023. De belanghebbende, vertegenwoordigd door een gemachtigde, had bezwaar aangetekend en verzocht om gehoord te worden. De rechtbank behandelt de vraag of de hoorplicht is geschonden, aangezien de gemachtigde niet op de uitnodiging tot een hoorgesprek heeft gereageerd. De rechtbank concludeert dat de hoorplicht niet is geschonden, omdat de gemachtigde niet heeft gereageerd op de vraag of hij gehoord wilde worden, ondanks dat hij eerder om een hoorzitting had gevraagd. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar er vanuit mocht gaan dat er geen hoorzitting meer gewenst was. Het beroep van de belanghebbende wordt ongegrond verklaard, en er wordt geen griffierecht of proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5544

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 26 juni 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 280.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Tilburg voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en [vertegenwoordiger] , namens de heffingsambtenaar. Belanghebbende was niet aanwezig.
1.4.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het is een tussenwoning uit 2014 met een oppervlakte van 104 m², met een vrijstaande berging/schuur en een dakkapel, op een perceel van 98 m2.
2.1.
Gemachtigde is namens belanghebbende in bezwaar gegaan tegen de beschikking. In het bezwaarschrift is verzocht om gehoord te worden.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft op het bezwaarschrift gereageerd met de toezending per mail van een concept uitspraak op bezwaar en daarbij gevraagd of belanghebbende nog gehoord wilde worden.
2.3.
Gemachtigde heeft hierop gereageerd met het verzoek om een dwangsom vast te stellen.
2.4.
De heffingsambtenaar heeft hierna nogmaals gevraagd of belanghebbende nog gehoord wilde worden.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de door gemachtigde aangevoerde grond dat de hoorplicht is geschonden, zal slagen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4. Naar het oordeel van de rechtbank is de hoorplicht niet geschonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Motivering

5. Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een belanghebbende in de gelegenheid te worden gesteld om gehoord te worden voordat op het bezwaar wordt beslist. Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien in een aantal in artikel 7:3 van de Awb genoemde gevallen. In artikel 25 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is bepaald dat een belanghebbende in afwijking van artikel 7:2 van de Awb wordt gehoord op zijn verzoek. Het bestuursorgaan moet er alles aan doen zodat een hoorgesprek plaats kan vinden. [1]
5.1.
Belanghebbende stelt dat de hoorplicht is geschonden omdat verzocht is door belanghebbende om gehoord te worden en er geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden.
5.2.
Vaststaat dat belanghebbende in het bezwaarschrift verzocht heeft om gehoord te worden. Ter zitting is de werkwijze van de heffingsambtenaar omtrent de afhandeling van bezwaarschriften besproken. De heffingsambtenaar heeft verklaard dat er vaak een concept uitspraak op bezwaar wordt verstuurd en dat daarbij wordt gevraagd of belanghebbende nog gehoord wil worden. De bedoeling van het versturen van het concept is om een dialoog aan te gaan met de belanghebbende. Belanghebbende kan dan beoordelen of hij of zij het met het concept eens is of niet, en waar nodig het bezwaar aanvullen. Ook is ter zitting door de heffingsambtenaar aangegeven dat gemachtigde en de heffingsambtenaar een aantal keer per e-mail contact hebben gehad.
Vast staat dat in deze zaak per email een concept uitspraak op bezwaar is toegezonden aan gemachtigde. In die mail, zoals door de heffingsambtenaar onweersproken is gesteld, is gevraagd aan gemachtigde of hij nog gehoord wil worden. Gemachtigde heeft op de e-mail van de heffingsambtenaar met de concept uitspraak op bezwaar op 20 juni 2024 gereageerd en aangegeven dat de door de heffingsambtenaar toegezegde vaststelling van de dwangsom ontbrak. Gemachtigde heeft in die e-mail niet gereageerd op de door de heffingsambtenaar gestelde vraag of de gemachtigde nog gehoord wilde worden. De heffingsambtenaar heeft op 21 juni 2024 gereageerd op de e-mail van gemachtigde. In deze e-mail is het navolgende opgenomen:
“U heeft aangegeven gehoord te willen worden als het bezwaar niet toegewezen wordt. Daarom heb ik de conceptuitspraak gestuurd zodat u aan kunt geven of u nog gehoord wilt worden. Dit staat los van de dwangsom die inderdaad volledig aan u toegewezen zal worden. Dit wordt bevestigd in de uitspraak op bezwaar.
Ik hoop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben en hoor graag of u nog gehoord wenst te worden of dat er uitspraak op bezwaar gedaan mag worden.”
Uit het dossier blijkt niet of op deze mail nog een antwoord van gemachtigde is gevolgd. Ter zitting is desgevraagd door de heffingsambtenaar verklaard dat er geen antwoord is gevolgd. Ook is ter zitting gevraagd aan gemachtigde of gemachtigde op deze vraag heeft gereageerd. De gemachtigde gaf hierop het antwoord niet te weten of hij op de vraag gereageerd heeft, maar dat dit ook niet hoeft, omdat hij eerder heeft gevraagd om een hoorzitting. De heffingsambtenaar heeft ter zitting aangegeven graag antwoord gehad te willen hebben om een hoorzitting in te kunnen plannen.
5.3.
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat niet zomaar kan worden aangenomen dat een belanghebbende afstand doet van het recht om gehoord te worden. Uit de omstandigheid dat niet wordt gereageerd kan niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat een belanghebbende (stilzwijgend) afstand doet van het recht om gehoord te worden en dat een bestuursorgaan gehouden blijft belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord door belanghebbende bijvoorbeeld uit te nodigen op een vastgesteld tijdstip en locatie. [2]
5.4.
Toch ziet de rechtbank in dit geval aanleiding om aan te nemen dat de gemachtigde namens belanghebbende afstand heeft gedaan van het recht om gehoord te worden. De rechtbank betrekt daarbij de volgende omstandigheden. De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat er een min of meer vaste werkwijze is waarbij een concept uitspraak op bezwaar aan een belanghebbende wordt toegezonden, met de vraag of belanghebbende nog gehoord wenst te worden. Gemachtigde heeft niet weersproken dat deze mail naar hem is gezonden. Bovendien noemt gemachtigde in zijn beroepschrift van 12 juli 2024 onder punt 1 ook dat hem een beslissing is toegezonden waarbij is gevraagd of hij, indien hij nog gehoord wil worden, hij dit mee dient te delen. Gemachtigde heeft vervolgens inhoudelijk gereageerd op de concept uitspraak op bezwaar door aan te geven dat de verbeurde dwangsom niet is vastgesteld. Een andere reactie, zoals bijvoorbeeld het aangeven van bezwaargronden, is door gemachtigde niet gegeven. Hem is vervolgens nog eens gevraagd of hij wil aangeven of hij gehoord wil worden, of dat er uitspraak op bezwaar kan worden gedaan. Een reactie is uitgebleven volgens de heffingsambtenaar en de rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan deze vaststelling.
5.5.
De rechtbank stelt met de heffingsambtenaar vast dat gemachtigde geen bezwaargronden heeft aangevoerd, maar enkel stelt dat hij gehoord wil worden. Uit het dossier blijkt niet dat er verder nog gronden in bezwaar zijn aangevoerd. Verder stelt de rechtbank vast dat gemachtigde wel reageert op de uitspraak in bezwaar, namelijk voor zover het gaat om de vaststelling van de verbeurde dwangsom. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden de heffingsambtenaar er van uit mocht gaan dat er geen hoorzitting hoefde te worden gepland. Van een professioneel gemachtigde kan immers gevraagd worden dat er een reactie wordt gegeven op de vraag of belanghebbende nog gehoord wil worden. Hem is bij het toezenden van de concept uitspraak op bezwaar tot twee maal toe gevraagd of hij nog een hoorzitting wenste. Nu een reactie over het horen is uitgebleven, en de gemachtigde daarnaast behoudens de opmerking over de verbeurde dwangsom ook geen enkele inhoudelijke reactie op de concept uitspraak op bezwaar heeft gegeven, mocht de heffingsambtenaar ervan uitgaan dat geen hoorzitting meer gewenst was. De hoorplicht is dus niet geschonden.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Belanghebbende krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier, op 12 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Gerechtshof Den Haag 24 maart 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:723, r.o. 7.
2.Hoge Raad 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751, r.o. 3.3.