ECLI:NL:RBZWB:2026:821

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
25/6470 WIA
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaald verzoek voorlopige voorziening omzetting WIA-uitkering

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de omzetting van zijn loongerelateerde WIA-uitkering naar een vervolguitkering met een aanzienlijk lager bedrag. Het UWV had de uitkering per 1 juli 2025 verlaagd van €4.390,33 naar €920,56 per maand op basis van een arbeidsongeschiktheid van 61,14%.

Na eerdere afwijzing van een vergelijkbaar verzoek op 30 september 2025, diende verzoeker op 16 december 2025 een herhaald verzoek in. De voorzieningenrechter beoordeelde of er sprake was van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden die een hernieuwde voorlopige voorziening rechtvaardigen.

Verzoeker overhandigde medische stukken en een besluit van Orionis waarin een aanvraag voor financiële ondersteuning werd afgewezen. De rechter oordeelde dat deze informatie niet nieuw was, omdat de medische stukken dateren van vóór het eerdere verzoek en het besluit van Orionis geen wijziging in de situatie van verzoeker teweegbracht.

Daarom werd het herhaalde verzoek afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is zonder zitting gedaan en openbaar gemaakt op 3 februari 2026.

Uitkomst: Het herhaald verzoek om voorlopige voorziening tegen de omzetting van de WIA-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6470

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de omzetting van zijn uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Het UWV heeft aan verzoeker per 14 april 2025 een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% (61,14%). Deze uitkering bedroeg € 4.390,33 per maand.
1.3.
Met het bestreden besluit van 2 juli 2025 heeft het UWV de loongerelateerde uitkering per 1 juli 2025 omgezet naar een vervolguitkering van € 920,56 per maand.
1.4.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.5.
Bij uitspraak van 30 september 2025 [1] heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.
1.6.
Op 16 december 2025 heeft verzoeker opnieuw een verzoek om voorlopige voorziening ingediend inzake het bestreden besluit.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
2. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.
2.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Herhaald verzoek
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat sprake is van een herhaald verzoek. Een herhaald verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening kan slechts voor toewijzing in aanmerking komen indien terecht een beroep wordt gedaan op feiten of omstandigheden die ten tijde van het vorige verzoek niet bekend waren en redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn dan wel op nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden van na de uitspraak op het vorige verzoek, die een dergelijk herhaald verzoek rechtvaardigen.
3.1.
De griffier heeft verzoeker bij brief van 23 december 2025 verzocht om aan te geven wat de feiten of omstandigheden zijn zoals hiervoor bedoeld. Verzoeker heeft op 25 december 2025 geantwoord dat Orionis op 23 oktober 2025 een aanvraag van verzoeker om financiële ondersteuning heeft afgewezen. Voorts stelt verzoeker op 25 november 2025 een omvangrijk medisch supplement bij het UWV te hebben ingediend. Op verzoek van de griffier heeft verzoeker een kopie van het besluit van 23 oktober 2025 van Orionis overgelegd en van de door hem op 25 november 2025 aan het UWV toegezonden medische stukken.
3.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden of van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden van na de uitspraak op het vorige verzoek.
3.3.
Hoewel de medische stukken ten tijde van het vorige verzoek om voorlopige voorziening nog niet door verzoeker aan het UWV overgelegd waren, stelt de voorzieningenrechter vast dat deze stukken dateren van voor het vorige verzoek en dus op dat moment reeds bekend waren of konden zijn. De enige uitzondering hierop is een brief van verzoekers fysiotherapeut van 3 november 2025, maar deze brief gaat over behandelingen die verzoeker in 2021 heeft gehad, dus ruim voor het vorige verzoek. Nog los van de vraag of de door verzoeker op 25 november 2025 aan het UWV overgelegde informatie relevant is voor de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum in geding en of daarmee wordt onderbouwd dat die mate van arbeidsongeschiktheid niet juist is vastgesteld, is sprake van medische informatie die ten tijde van het vorige verzoek bekend was of redelijkerwijs kon zijn.
3.4.
Ook het besluit van Orionis van 23 oktober 2025 vormt naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen nieuw feit of omstandigheid. In de uitspraak van 30 september 2025 heeft de voorzieningenrechter verzoeker in overweging gegeven om woonkostentoeslag aan te vragen. Bij het besluit van 23 oktober 2025 heeft Orionis dat verzoek afgewezen. Dit besluit maakt de situatie van verzoeker echter niet anders. Ten tijde van het vorige verzoek om voorlopige voorziening beschikte verzoeker niet over woonkostentoeslag en nu ook niet. Er is dus geen sprake van gewijzigde omstandigheden.
3.5.
Volledigheidshalve wijst de voorzieningenrechter erop dat, gelet op wat verzoeker in zijn verzoekschrift heeft gesteld, ook een beroepsprocedure is opgestart wegens het niet tijdig beslissen door het UWV op het door verzoeker ingediende bezwaar. Die procedure is geregistreerd onder zaaknummer BRE 25/6745.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Dit betekent dat er niets wijzigt voor verzoeker. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 3 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.