ECLI:NL:RBZWB:2026:831

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
02-111537-23
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 313 SvArt. 326 lid 1 SrArt. 420bis lid 1 SrArt. 9 SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak oplichting en veroordeling witwassen in grootschalige bankhelpdeskfraudezaak

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van bankhelpdeskfraude en witwassen. De fraude betrof het telefonisch oplichten van voornamelijk oudere vrouwen door zich voor te doen als bankmedewerkers en het veiligstellen van geld via valse betaallinks en afspraken.

Uit het omvangrijke onderzoek 'Lawrencium' bleek dat verdachte zijn bankrekening ter beschikking stelde aan medeverdachten die de fraude uitvoerden. Hoewel dit een essentiële schakel was, vond de rechtbank de bijdrage van verdachte onvoldoende voor medeplegen van oplichting. Verdachte werd daarom vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit.

Wel werd bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig maakte aan witwassen door het ontvangen en doorboeken van ruim €205.000 aan crimineel geld via zijn rekening, met voorwaardelijk opzet. De rechtbank legde een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden op met een proeftijd van twee jaar, een taakstraf van 180 uur en diverse bijzondere voorwaarden.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van materiële schade aan benadeelde partijen, waaronder banken en individuele slachtoffers, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank wees immateriële schadevorderingen af wegens onvoldoende onderbouwing.

De strafzaak kende een complexe procedure met meerdere verdachten, uitgebreide bewijsmiddelen en een lange duur, maar de redelijke termijn werd niet overschreden.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van medeplegen oplichting, veroordeeld voor witwassen met geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-111537-23
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 februari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[woonadres] ,
raadsvrouw mr. S. Schilder, advocaat te Utrecht.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3, 5, 6, 10, 12 en 13 november 2025, waarbij de officier van justitie mr. C. de Pagter en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Op dezelfde zittingsdagen zijn inhoudelijk behandeld de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (02/165966-23 en 02/016557-24), [medeverdachte 2] (02/187364-23), [medeverdachte 3] (02/187965-23), [medeverdachte 4] (02/155746-23), [medeverdachte 5] (02/111677-23) en [medeverdachte 6] (02/071660-25 en 16/238608-24).

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is op 10 november 2025 gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
in de periode van 28 maart 2023 tot en met 3 april 2023 samen met een of meer anderen personen heeft opgelicht door middel van bankhelpdeskfraude, dan wel een bedrag van € 227.787,- heeft witgewassen.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde oplichting en verzoekt verdachte hiervan vrij te spreken. Verdachte heeft enkel zijn bankrekening ter beschikking gesteld en met de bankpas geld van die bankrekening gepind. Het enkel ter beschikking stellen van een bankrekening is een bijdrage die van onvoldoende gewicht is om verdachte als pleger of medepleger van oplichting aan te merken. Verdachte wist bovendien niet dat op zijn bankrekening geld afkomstig van oplichting zou worden gestort en dat hij op dat moment geld afkomstig van oplichting aan het pinnen was. Hij dacht dat er op zijn bankrekening bitcoins zouden worden uitbetaald.
De verdediging refereert zich ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde witwassen aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat slechts een bedrag van € 174.137,76 kan worden bewezenverklaard.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
Algemeen
De zaak gaat over een omvangrijke bankhelpdeskfraude. Over een periode van een groot aantal maanden zijn honderden meldingen bij banken binnen gekomen van klanten vanuit het hele land die slachtoffer waren geworden van deze specifieke vorm van oplichting. Naast Rabobank, ABN AMRO en ING hebben ook meerdere klanten aangifte gedaan.
De politie is strafrechtelijk onderzoek “Lawrencium” gestart om deze fraudegevallen te onderzoeken. De onderzoeksresultaten leidden ertoe dat er uiteindelijk 306 aangiftes met elkaar in verband zijn gebracht, waarbij een dadergroep in beeld is gekomen. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [verdachte] en [medeverdachte 6] zijn hierbij als verdachten aangemerkt.
4.3.3.
Modus operandi
Uit het dossier Lawrencium blijkt dat in een groot aantal gevallen van de tenlastegelegde bankhelpdeskfraudes sprake is van een zelfde modus operandi. Deze modus operandi was de volgende.
De aangevers waren steeds ouderen, met name vrouwen, variërend in de leeftijd van 60 tot en met 90 jaar. Zij werden gebeld met een gespooft of anoniem telefoonnummer. Degene die belde, deed zich voor als medewerker van de fraudeafdeling van de bank en stelde zich voor onder een alias ( [alias 1] , [alias 2] , [alias 3] , [alias 4] ). Tijdens het gesprek werd de aangevers voorgehouden dat er een verdachte transactie op hun rekening had plaatsgevonden of dat was geprobeerd geld van hun rekening af te halen en dat de bank hen wilde helpen om het geld terug te vorderen danwel veilig te stellen. Daarbij werd veelal de naam van [persoon 1] , al dan niet in combinatie met België, gebruikt als degene naar wie het geld zou worden overgemaakt.
De aangevers werden (uren)lang aan de telefoon gehouden en soms doorverbonden met een andere zogenaamde bankmedewerker. Tijdens het gesprek ontvingen de aangevers e-mails of WhatsApp-berichten met daarin (vaak via Marktplaats gegenereerde) betaallinks. Deze e-mails waren afkomstig van een e-mailadres, waarin de naam van de bank in combinatie met “fraudeafdeling” werden gebruikt. De aangevers werden verzocht om op die betaallinks in de e-mails te klikken. De aangevers waren in de veronderstelling dat zij daarmee de bedragen terugvorderden en/of veiligstelden. In werkelijkheid verrichtten zij zelf betalingen. De aangevers werden vervolgens verzocht om de volgende dag met een bepaalde code naar het dichtstbijzijnde filiaal van de bank te gaan, waar de bankmedewerker voor hen een afspraak had gemaakt om het geld terug te krijgen. De aangevers ontvingen van deze afspraak per e-mail een bevestiging met het adres van het filiaal waar de afspraak gepland stond. Op het moment dat de aangevers zich bij de bank meldden, bleek er helemaal geen afspraak te zijn.
De rechtbank beschouwt bovenstaande modus operandi als de basiswerkwijze, waarbij zij constateert dat in bepaalde periodes, binnen het tijdsbestek waarin deze 306 aangiftes zijn gedaan, op een andere manier hieraan invulling is gegeven. De rechtbank bedoelt daarmee bijvoorbeeld dat op sommige momenten pinpassen fysiek werden opgehaald waarmee werd gepind, dat op andere momenten gebruik werd gemaakt van de app Anydesk, of geld werd overgemaakt naar Online Payments Foundation, of met het geld bestellingen werden geplaatst bij online webshops. Zo werd een periode lang besteld bij Megekko en Dyson, een periode lang bij Arts & Craft en een periode lang bij Amazon en MediaMarkt. In meerdere gevallen werd aan de aangevers ook een persoonlijke code doorgegeven, bestaande uit een aantal letters met daarachter hun geboortedatum. De code begon vaak met het woord ‘Thylon’.
Aanknopingspunten voor deze dadergroep
Het onderzoek is gestart naar aanleiding van een aangifte van [aangever 1] op 31 maart 2023. Zij werd gebeld door iemand die zich voorstelde als meneer [alias 1] van de fraudeafdeling van de Rabobank en zij ontving meerdere e-mails afkomstig van het e-mailadres [e-mailadres 1] , met daarin steeds een betaallink. In totaal heeft zij een bedrag van € 12.102,- overgeschreven naar het rekeningnummer [rekeningnummer 1] op naam van Online Payments Foundation. Tussen 27 maart 2023 en 3 april 2023 (de “onderzoeksweek”) zijn nog dertien aangiftes gedaan waarin sprake was van een soortgelijke oplichting. Vaak werden bedragen in meerdere transacties overgeschreven, betrof het telkens een bedrag van € 2.500,40 en was sprake van twee of drie bellers waarbij voornamelijk de namen “ [alias 1] ” en “ [alias 2] ” werden genoemd en gebruik werd gemaakt van het gespoofte telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Soms was er een vrouw bij betrokken die zichzelf een enkele keer “mevrouw [alias 3] ” noemde.
Uit de geldstromen van Online Payments Foundation volgt dat in de onderzoeksweek een bedrag van € 230.950,- is doorgeboekt naar het rekeningnummer [rekeningnummer 2] op naam van [verdachte] . Aan dat rekeningnummer waren de persoonsgegevens van
[verdachte]gekoppeld met daarbij de e-mailadressen: [e-mailadres 2] en [e-mailadres 3] . Deze e-mailadressen waren ook gekoppeld aan Marktplaatsadvertenties, waarmee betaallinks werden gecreëerd. Daarnaast is er door aangeefster [aangeefster 1] een rechtstreekse betaling gedaan op de rekening van [verdachte] van € 17.469,-. Van het totaalbedrag van € 248.419,- werd in 32 betalingen een bedrag van € 185.610,- doorgeboekt naar het rekeningnummer [rekeningnummer 3] op naam van
[medeverdachte 5]en 13 betalingen met een totaalbedrag van € 46.150,- doorgeboekt naar [rekeningnummer 4] op naam van [bedrijf] . Aan dit rekeningnummer zijn de persoonsgegevens van [medeverdachte 5] gekoppeld, met daarbij de e-mailadressen: [e-mailadres 4] en [e-mailadres 5] . Het e-mailadres [e-mailadres 4] dat aan [bedrijf] is gekoppeld, is gelinkt aan Marktplaatsadvertenties, waarmee betaallinks zijn gecreëerd. Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] dat aan dit e-mailadres is gekoppeld, blijkt te kunnen worden toegeschreven aan
[medeverdachte 4] .
Intussen was elders in het land een cybercrime-onderzoek opgestart genaamd Gamila. In dat onderzoek is [medeverdachte 4] als verdachte aangemerkt en zijn bij een doorzoeking in zijn woning 9 mobiele telefoons in beslag genomen, waaronder een iPhone 13. Hierin stonden chatgesprekken met “ [alias 5] ” die gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] . Tussen 14 februari 2022 en 11 mei 2022 worden er meerdere foto’s en screenshots gestuurd door “ [alias 5] ”, waarin bijvoorbeeld op de achtergrond een e-mail van de “Rabobank” met daarin een vermoedelijke betaallink zichtbaar is. De e-mail komt qua opbouw overeen met de fraudemails die de aangevers ontvingen van [e-mailadres 1] . Uit gestuurde foto’s door “ [alias 5] ” van zichzelf leidt de politie af dat het telefoonnummer toebehoort aan
[medeverdachte 1] .
Op 24 maart 2023 is [aangever 2] (zaaknummer 102) opgelicht. Zij werd gebeld door ene mevrouw [alias 3] van de fraude-afdeling van de ING. Deze alias was al in meerdere aangiftes naar voren gekomen, waarbij sprake was van een zelfde modus operandi als hierboven omschreven. Van dat oplichtingsgesprek is een geluidsopname gemaakt. De politie heeft hierop de stem van “mevrouw [alias 3] ” herkend als de stem van
[medeverdachte 2] .[medeverdachte 2] was op dat moment de partner van [medeverdachte 1] . Ook de stem van [medeverdachte 1] wordt hierop herkend, terwijl hij zich voordoet als bankmedewerker onder de naam “ [alias 1] ”.
Op 16 september 2022 is aangeefster [aangeefster 2] opgelicht en op 12 april 2023 is aangeefster [aangeefster 3] slachtoffer geworden van oplichting. In beide zaken zijn de aangevers gebeld door iemand die zich voordeed als een bankmedewerker met de naam “ [alias 4] ”. Hierbij is gebruik gemaakt van twee verschillende IMEI nummers, namelijk IMEI nummer [IMEI 1] (iPhone 7) en IMEI nummer [IMEI 2] (iPhone 11). Van beide IMEI nummers werd de telecommunicatie opgenomen om live oplichtingsgesprekken mee te kunnen luisteren en de gebruiker te kunnen lokaliseren. Voornoemde telefoons blijken in gebruik te zijn geweest bij
[medeverdachte 3].
Op 25 juli 2023 is met aangeefster [aangeefster 4] (zaaknummer 1) een oplichtingsgesprek gevoerd met genoemde iPhone 11, waarvan een geluidsopname is gemaakt. Zij werd gebeld door “ [alias 4] ”. Verbalisanten herkennen hierop de stem van [medeverdachte 3] in dat geluidsfragment.
Uit de bankafschriften van beide rekeningen van [medeverdachte 5] blijkt dat er meermalen overboekingen hebben plaatsgevonden naar Coinbase, buitenlandse rekeningen en naar diverse rekeningen in gebruik bij
[medeverdachte 6] .
[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn op 1 augustus 2023 aangehouden. Daarbij zijn hun woningen doorzocht en zijn telefoons en laptops in beslag genomen en door de politie onderzocht. Sinds hun aanhouding is er geen enkele aangifte meer binnengekomen van bankhelpdeskfraude door medewerkers van banken met de namen [alias 1] , [alias 4] , [alias 2] en [alias 3] . Op een later moment zijn [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [verdachte] en [medeverdachte 6] aangehouden, waarbij ook gegevensdragers in beslag zijn genomen.
4.3.4.
Verschillende rollen
De rechtbank stelt vast dat verdachten betrokken zijn geweest bij de ten laste gelegde oplichting en komt nu toe aan de bespreking van de wijze waarop en de mate waarin de verschillende verdachten betrokken zijn geweest bij de bankhelpdeskfraude. Die betrokkenheid blijkt uit het volgende.
[medeverdachte 1]
Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] zijn onder andere meerdere iPhones en laptops in beslag genomen. In de kelder was een soort “belcentrum” ingericht, waarin alle voorzieningen waren getroffen voor het plegen van bankhelpdeskfraude. Er stonden twee bureautafels, drie bureaustoelen, een PC met monitor, twee laptops, drie headsets, vier mobiele telefoons en er lagen meerdere simkaarten die nog in de verpakking zaten. Op de telefoons en de laptops van [medeverdachte 1] zijn zaken aangetroffen die direct zijn te relateren aan aangiftes van bankhelpdeskfraude in onderzoek Lawrencium. Hierbij valt te denken aan chatgesprekken met medeverdachten over aangevers, belscripts, leads en notities met persoonsgegevens en e-mailadressen van slachtoffers en daarbij de namen van de ABN AMRO bank, de ING bank en de Rabobank en aanwijzingen dat van een spoof-programma gebruik werd gemaakt.
In een ander strafrechtelijk onderzoek Gamila is een iPhone 13 bij [medeverdachte 4] in beslag genomen. Hierin stonden chatgesprekken met “ [alias 5] ” die gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] . Tussen 14 februari 2022 en 11 mei 2022 worden er meerdere foto’s en screenshots gestuurd door “ [alias 5] ”. Uit gestuurde foto’s door “ [alias 5] ” van zichzelf stelt de rechtbank vast dat het telefoonnummer toebehoort aan [medeverdachte 1] . Uit deze chatgesprekken volgt dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] met elkaar bespraken welke bestellingen gedaan moesten worden met het weggenomen geld, dat over leads gesproken werd en dat [medeverdachte 4] degene was die dingen kon “fiksen”.
De rechtbank concludeert, dat [medeverdachte 1] - onder een alias - als beller betrokken was bij een groot aantal gevallen van bankhelpdeskfraude. Zijn rol bleef niet beperkt tot het louter voeren van oplichtingsgesprekken. Hij bemoeide zich ook actief met het voortraject (vergaren van leads) en het natraject (uitcashen). Hiervoor stond hij in nauw contact met meerdere medeverdachten, onder wie [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] .
[medeverdachte 2]
Op de telefoon van [medeverdachte 2] zijn meerdere zaken aangetroffen die direct zijn te relateren aan aangiftes van bankhelpdeskfraude in onderzoek Lawrencium. Hierbij valt te denken aan de grote hoeveelheid chatgesprekken met [medeverdachte 1] over aangevers en betaallinks, belscripts, leads en notities met persoonsgegevens en e-mailadressen van aangevers en daarbij de namen van ABN AMRO, ING en Rabobank. Ook uit de grote hoeveelheid aangetroffen chats blijkt dat [medeverdachte 2] nauw samenwerkte met [medeverdachte 1] , waarbij hij haar opdrachten gaf en ondersteunde als zij oplichtingsgesprekken voerde. Hieruit volgt dat [medeverdachte 2] door [medeverdachte 1] is opgeleid als beller en vervolgens als beller betrokken was bij een groot aantal gevallen van bankhelpdeskfraude, waarbij zij een belscript hanteerde, gebruik maakte van leads en van specifiek voor oplichting gecreëerde e-mailadressen. Hierbij onderhield zij nauw contact met meerdere medeverdachten, en met name met [medeverdachte 1] , die op dat moment ook haar partner was. Tijdens het bellen maakte zij gebruik van een alias.
De rechtbank concludeert dat [medeverdachte 2] - onder de alias [alias 3] - als beller betrokken was bij een groot aantal gevallen van bankhelpdeskfraude.
[medeverdachte 3]
Op de onder [medeverdachte 3] in beslag genomen telefoons zijn data aangetroffen die gerelateerd konden worden aan aangiftes van bankhelpdeskfraude waarin melding werd gemaakt van
“ [alias 4] ”. Ook blijkt uit de telefoons dat hij diverse gesprekken heeft gevoerd over leads. Tevens is een mapje met nieuwe leads (van Essent en Energiedirect) aangetroffen, is een afbeelding van een e-mail van “Rabobank Hoofdkantoor” aangetroffen, en spreekt [medeverdachte 3] (met [medeverdachte 4] onder de naam “ [alias 6] ”) over onder andere bestellingen bij MediaMarkt en Amazon.
De rechtbank concludeert, dat [medeverdachte 3] - onder de alias [alias 4] - als beller betrokken was bij een groot aantal gevallen van bankhelpdeskfraude. Zijn rol bestond niet louter uit het voeren van oplichtingsgesprekken, maar strekte zich ook uit tot het voortraject (onder andere het verkrijgen van leads) en het natraject (bijvoorbeeld het bestellen en/of het laten ophalen van pakketjes bij MediaMarkt en Amazon). Hij heeft daarbij e-mailberichten naar aangevers gestuurd door gebruikmaking van verschillende e-mailadressen van zogenaamde fraudeafdelingen van verschillende banken. Hierbij onderhield hij - in periodes - nauw contact met meerdere medeverdachten, waaronder met name [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] .
[medeverdachte 4]
Op een onder [medeverdachte 4] in beslag genomen iPhone 13 zijn meerdere berichten, foto’s en screenshots aangetroffen die direct zijn te relateren aan aangiftes van bankhelpdeskfraude in onderzoek Lawrencium. Daarnaast blijkt de betrokkenheid van [medeverdachte 4] uit het navolgende.
Zoals hiervoor al is vastgesteld, waren aan het rekeningnummer van [verdachte] twee e-mailadressen gekoppeld, te weten: [e-mailadres 2] en [e-mailadres 3] . Deze e-mailadressen zijn gebruikt voor Marktplaatsadvertenties waarmee betaallinks zijn gecreëerd. De gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres 2] heeft zich geregistreerd met het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . Dat telefoonnummer komt terug in de telefoongegevens van [medeverdachte 6] , onder de naam ‘ [alias 7] ”. Op basis van een audiogesprek dat is vergeleken met spraakberichten van [medeverdachte 4] is de rechtbank van oordeel dat [alias 7] [medeverdachte 4] betreft en daarmee de gebruiker was van het telefoonnummer eindigend op - [nummer] en het e-mailadres [e-mailadres 2] .
Voorts volgt uit het dossier dat [medeverdachte 4] - in ieder geval - op 1 april 2023 de pinpas van de zakelijke bankrekening van [verdachte] in zijn bezit had en daarmee geld heeft gepind.
In de iPhone 13 staan chatgesprekken met “ [alias 5] ”. Uit gestuurde foto’s door “ [alias 5] ” van zichzelf blijkt dat “ [alias 5] ” [medeverdachte 1] is. Uit deze chatgesprekken volgt dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] met elkaar bespraken welke bestellingen gedaan moesten worden met het weggenomen geld, dat over leads gesproken werd en dat [medeverdachte 4] degene was die dingen kon “fiksen”.
Dergelijke “fiks-gesprekken” volgen ook uit de aangetroffen chatgesprekken in de aangetroffen telefoon van [medeverdachte 3] .
De rechtbank concludeert dat [medeverdachte 4] degene is geweest die [verdachte] heeft benaderd om zijn bankrekening ter beschikking te stellen, dat hij geld van die rekening heeft gepind en doorgesluisd, dat hij (“ [alias 7] ”) opdrachten aan [medeverdachte 6] heeft gegeven om pakketjes op te halen, dat hij ook anderen regelde om pakketjes op te halen, dat hij Marktplaatsaccounts heeft gegenereerd en betaallinks heeft gecreëerd, dat hij andere verdachten van leads heeft voorzien en dat hij (mede) heeft bepaald wat er werd besteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zijn rol kan worden geduid als “spin in het web” en dat deze daarmee van aanzienlijke en cruciale betekenis was.
[medeverdachte 5]
De rechtbank constateert op basis van het dossier dat [medeverdachte 5] betrokken is geweest bij deze bankhelpdeskfraude.
[verdachte] heeft verklaard dat hij door [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] is benaderd om zijn bankrekening ter beschikking te stellen en dat [medeverdachte 5] “ [alias 8] ” wordt genoemd. Dit volgt ook uit proces-verbaal nummer 75 waaruit blijkt dat ene “ [alias 9] ” gegevens in de app deelt, die rechtstreeks naar [medeverdachte 5] te herleiden zijn. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat “ [alias 9] ” en “ [alias 8] ” [medeverdachte 5] betreft.
Uit onder meer de chatgesprekken met [medeverdachte 6] , - en een geluidsfragment op de telefoon van [medeverdachte 6] - blijkt dat [medeverdachte 5] op meerdere data in rechtstreeks contact staat met [medeverdachte 6] en daarin opdrachten geeft, zoals:
  • “Zorg dat jullie klaarstaan (…) Blijf daar. Blijf Heerhugowaard. Tot ik je zag als je moet bewegen. We zijn daar nu op bezig. Heb je QR ontvangen? Je moet race (…) Die man wordt wantrouwig. Die vis. Zie die bestelling is opgehaald. Heerhugowaard staat ook op jouw naam. (…) Blijf appen met me” en
  • “Doe je kankercapuchon af en haal je foto weg. Er staat popo voor MediaMarkt”
  • “1 deze dagen lekkere doekoe. (…) Heb zelf ook gedaan. (…) Ik ging proefkonijn. (…) “Fiks allemaal mensen die willen”
  • “Pak 150 voor jezelf en geeft Turk 150. En bewaar de rest. (…) “Geef het door even aan [alias 7] ”
  • “Ik stuur jou met hun omdat ik je kan vertrouwen”
  • “Ik betaal jou wat hij hem geeft”
  • “100 K vandaag; gisteren 35 K”
In lijn met bovenstaande chats, blijkt uit de bankafschriften van beide BUNQ rekeningen van [medeverdachte 5] dat er in dezelfde periode ook daadwerkelijk betalingen worden verricht aan diverse rekeningen in gebruik bij [medeverdachte 6] .
Zoals eerder in dit vonnis al is overwogen zijn grote sommen geld van de rekening van [verdachte] , waarop na het voeren van oplichtingsgesprekken geld van aangevers stond, doorgeboekt naar 2 BUNQ rekeningen van [medeverdachte 5] .
Verder blijkt uit de bankafschriften van beide rekeningen van [medeverdachte 5] dat er meermalen overboekingen hebben plaatsgevonden naar buitenlandse rekeningen op naam van [medeverdachte 5] . Hoewel [medeverdachte 5] de wetenschap van het bestaan van deze rekeningen ontkent, blijkt het tegendeel uit het dossier. In de telefoon van [medeverdachte 1] is een chatgesprek aangetroffen met [medeverdachte 4] , waarin reeds op 12 december 2022 een afbeelding is verstuurd van een van een e-mail, ondertekend door [medeverdachte 5] , waarin hij zelf vraagt om zijn salaris over te maken naar een buitenlandse rekening op zijn naam.
De rechtbank concludeert dan ook dat [medeverdachte 5] een aansturende en coördinerende rol heeft gehad. De rol van [medeverdachte 5] is daarom van groter gewicht dan die van [verdachte] , zoals de rechtbank hierna uiteen zal zetten.
[verdachte]
heeft bij de rechter-commissaris en ter zitting verklaard dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] hem hadden gevraagd of zij geld op zijn rekening mochten storten. Ook werd afgesproken dat [verdachte] een percentage van dat geld zou krijgen. Hij heeft toen zijn bankpas en inloggegevens aan [medeverdachte 4] ter beschikking gesteld.
De rechtbank leidt uit de verklaring van [verdachte] af, dat hij in ieder geval tot op een zeker moment ook zelf nog toegang had tot zijn internet bankierenapp. Hij geeft immers aan dat hij de bedragen omhoog zag gaan en zelfs een bedrag van € 60.000,- heeft gezien. Ook is gebleken dat hij nadien nog met zijn eigen bankpas geld heeft gepind en dat er leefgeld op zijn rekening werd gestort.
De rechtbank concludeert dat de rol van [verdachte] beperkt is gebleven tot het ter beschikking stellen van zijn bankrekening aan [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Hij kon zien wat voor geldbedragen er op de bankrekening werden gestort en waar die geldbedragen vandaan kwamen. [verdachte] heeft de rechtbank niet duidelijk kunnen maken waarom hij, ondanks dat hij vermoedde dat een en ander niet helemaal in de haak was, toch zijn bankrekening ter beschikking heeft gesteld.
[medeverdachte 6]
heeft verklaard dat hij pakketjes heeft opgehaald bij MediaMarkt in opdracht van anderen en dat hij deze vervolgens heeft afgestaan. Hij heeft voor ieder opgehaald pakketje € 150,- gekregen. Hij is in ieder geval bij MediaMarkt in Heerhugowaard, bij MediaMarkt in Leeuwarden en, samen met [persoon 2] , bij MediaMarkt in Utrecht geweest. De pakketjes konden alleen worden opgehaald als zijn naam erop stond. Hij moest zich namelijk telkens legitimeren. Hij heeft verklaard dat hij niet wist dat de pakketjes met geld afkomstig van oplichting waren betaald.
Van het door Online Payments Foundation via [verdachte] naar [medeverdachte 5] doorgestorte geld is uiteindelijk vanaf zowel de privé bankrekening als van de zakelijke bankrekening van [medeverdachte 5] geld op de rekening van [medeverdachte 6] gestort. Uit de chatgesprekken met “ [alias 9] ” ( [medeverdachte 5] ) en “ [alias 7] ” ( [medeverdachte 4] ) die zijn aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte 6] volgt dat hij van hen opdrachten kreeg om bestellingen bij verschillende vestigingen van de MediaMarkt op te halen, adressen te fiksen en een betaalrekening te openen. Tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] werden Marktplaats betaalverzoeken en betaallinks heen en weer gestuurd met een omschrijving: “annulering”, en er werd gevraagd om handelingen te doen op crypto.com of SwissBorg.
De rechtbank concludeert dat deze rol als “ophaler van pakketten” en daarmee, ten opzichte van de andere verdachten, als een kleinere rol kan worden geduid.
4.3.5.
Gebruik schakelbewijs
Juridisch kader schakelbewijs
In de gevallen waarin de verklaringen van aangevers niet voldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, rijst de vraag of de bewezenverklaring voor die feiten op voldoende grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak volgt dat het gebruik van aan andere, soortgelijke feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen onder omstandigheden als steunbewijs is toegelaten. Voor de bewezenverklaring van een feit wordt in dat geval mede redengevend geacht de - uit één of meer bewijsmiddelen blijkende - omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal ten aanzien van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit, zoals een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte (ook wel aangeduid als modus operandi). Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een overeenkomende modus operandi kunnen betrokken worden de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de betreffende feiten, waaronder begrepen de context waarbinnen de feiten hebben plaatsgevonden, de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd, het handelen van de verdachte en de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. Daarbij kan het bewijs in verschillende zaken over en weer redengevend worden geacht, zelfs als een feit afzonderlijk - dus los van de schakelbewijsconstructie - niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.
De rechtbank is van oordeel dat - anders dan door de verdediging bepleit - sprake is van een zodanig herkenbare, specifieke en op essentiële onderdelen overeenkomende werkwijze, dat gebruik kan worden gemaakt van schakelbewijs. De rechtbank zal daartoe dan ook in enkele gevallen bij de bewezenverklaring overgaan, zoals volgt uit de bewijsmiddelen.
4.3.6.
Medeplegen oplichting
4.3.6.1.
Juridisch kader
Naar vaste jurisprudentie kan de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verschillende verdachten. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
4.3.6.2.
Het oordeel van de rechtbank
Bij deze vorm van oplichting gaat de rechtbank er vanuit dat er een zekere vorm van organisatie noodzakelijk is, waarbij verschillende mensen betrokken zijn en eenieder een bepaalde rol vervult. De in het kader van deze oplichting te verrichten handelingen duiden op een gezamenlijk en vooropgezet plan. Het kopen van leads, het regelen van bankpassen en bankrekeningen om het geld weg te kunnen sluizen, het aanmaken van
e-mailadressen en betaallinks, het spoofen van telefoonnummers, het bellen met de aangevers, het met elkaar doorverbinden, het versturen van WhatsApp-berichten en
e-mails met daarin betaallinks en afspraakbevestigingen naar de aangevers, het plaatsen van bestellingen bij webshops, het klaar hebben staan van mensen die de bestelde pakketjes gaan ophalen, het contant opnemen van geld, zijn allemaal handelingen die een nauwgezette planning en afstemming vereisen. Vanaf het moment dat er contact wordt gelegd met de aangevers, is snelheid geboden. De hiervoor genoemde handelingen moeten immers worden verricht voordat de frauduleuze overboekingen en geldopnames met de bankpassen worden ontdekt, de betreffende geldbedragen kunnen worden teruggestort en/of de betreffende bankrekeningen kunnen worden geblokkeerd.
In de gehele keten van voornoemde handelingen, was het uiteindelijke doel om geld van de aangevers weg te nemen. Deze handelingen, die noodzakelijk zijn voor een geslaagde bankhelpdeskfraude, hangen in een zeer nauw, chronologisch verband samen. Deze werkwijze vergt een goed geplande en doordachte samenwerking, waarbij de betrokken verdachten, ieder in zijn of haar eigen rol, afhankelijk zijn van elkaar.
De rechtbank kan op basis van het dossier niet méér vaststellen dan dat [verdachte] zijn zakelijke bankrekening ter beschikking heeft gesteld aan [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en dat hij een zeer klein deel van de opbrengsten van de fraude heeft ontvangen. Op die bankrekening werd telkens geld afkomstig van een gevoerd oplichtingsgesprek overgemaakt. Hoewel het ter beschikking stellen van een bankrekening een essentiële schakel is in de bankhelpdeskfraude, is de bijdrage van [verdachte] in dit geval, in zowel materiële als intellectuele zin, van onvoldoende gewicht geweest om hem te kunnen aanmerken als medepleger van oplichting. De rechtbank zal [verdachte] daarom vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.
4.3.7.
Witwassen
De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, zoals onder feit 1 subsidiair ten laste is gelegd. Wanneer je je bankrekening en pinpas ter beschikking stelt aan en laat gebruiken door een kennis en een derde, zonder dat je precies weet met welk doel dit wordt gevraagd, en je vervolgens de bedragen op de rekening fors ziet oplopen zonder dat je (zeker) weet waar die hoge bedragen vandaan komen en vervolgens wel pint van deze rekening, is de rechtbank van oordeel dat op zijn minst sprake is van voorwaardelijk opzet op witwassen. [verdachte] heeft hierdoor namelijk willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de geldbedragen die hij op zijn bankrekening liet storten afkomstig waren van oplichting.
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van alle zaken die op bijlage I bij de tenlastelegging van [verdachte] zijn vermeld. Op grond van het dossier kan buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat een totaalbedrag van € 205.084,40 op zijn bankrekening is gestort. Van het bedrag van € 17.469,- (zaaknummer 75) wordt verdachte partieel vrijgesproken.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
subsidiair
in de periode 28 maart 2023 tot en met 3 april 2023 in Nederland,
een geldbedrag van in totaal €
205.084,40(bijlage I),
- voorhanden heeft gehad
en/ofheeft overgedragen
en/ofheeft omgezet
terwijl hij, verdachte, wist, dat dat
geldbedrag- onmiddellijk of middellijk – afkomstig
was uit enig misdrijf;
bijlage 1
Datum
Aangever
Schadebedrag
Paginanummer
75
3-4-2023
[aangeefster 1]
€ 17.469,00
2340
76
2-4-2023
[aangever 3]
€ 2.500,40
2343
77
2-4-2023
[aangever 4]
€ 12.202,00
2346
78
1-4-2023
[aangever 5]
€ 15.002,40
2349
79
31-3-2023
[aangever 6]
€ 12.102,00
2353
80
31-3-2023
[aangever 7]
€ 20.353,60
2356
81
31-3-2023
[aangever 8]
€ 2.300,40
2362
82
30-3-2023
[aangever 9]
€ 19.403,20
2365
83
30-3-2023
[aangever 10]
€ 7.301,20
2369
84
30-3-2023
[aangever 11]
€ 7.301,20
2375
85
30-3-2023
[aangever 12]
ongeveer€ 45.000,00
2378
86
30-3-2023
[aangever 13]
€ 7.501,20
2382
87
28-3-2023
[aangever 14]
€ 2.500,40
2385
88
27-3-2023
[aangever 15]
€ 4.647,40
2387
89
31-3-2023
[aangever 16]
€ 7.000,00
2389
90
28-3-2023
[aangever 17]
€ 22.500,00
2392
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 27 oktober 2025.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de geringe rol die verdachte in het geheel heeft gehad, het feit dat verdachte meteen openheid van zaken heeft gegeven en geen relevant strafblad heeft. Verder is artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing en is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou ertoe leiden dat verdachte zijn uitkering kwijtraakt en niet aan het oplossen van zijn schulden kan werken. Verzocht wordt dan ook om te volstaan met een geheel voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Subsidiair wordt verzocht een taakstraf van 120 uren, in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen. Hij heeft zijn bankrekening beschikbaar gesteld aan derden die zich bezighielden met grootschalige bankhelpdeskfraude. Hierdoor is er € 205.084,40 aan crimineel geld op zijn bankrekening gestort en vervolgens weggesluisd.
Witwassen heeft een ontwrichtende werking op de reguliere economie, omdat investeringen en uitgaven worden gedaan met geld dat oorspronkelijk afkomstig is uit criminele activiteiten. Daardoor wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig aangetast. Het maakt bovendien dat misdaad en de daaruit verkregen opbrengst loont. Verdachte heeft bij het plegen van het delict alleen oog gehad voor zijn eigen financiële situatie en dat rekent de rechtbank hem aan.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 24 oktober 2025,
waaruit blijkt dat verdachte in 2008 is veroordeeld voor witwassen. Nu dit geruime tijd geleden is, weegt de rechtbank dit niet in strafvermeerderende zin mee. Verder volgt uit het strafblad van verdachte dat artikel 63 Sr Pro van toepassing is.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 27 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte al geruime tijd op vrijwel alle leefgebieden met problemen kampt. Zo heeft hij geen zelfstandige huisvesting, geen werk, kampt hij met forse schulden, is sprake van problematisch middelengebruik en zijn er zorgen over zijn sociaal netwerk én de invloed die de problemen op deze leefgebieden op elkaar hebben als het gaat om het plegen van delicten. Verdachte kampt met zware depressieve klachten. Hij ervaart veel spanning en stress door de onzekerheid over de uitkomst van deze strafzaak en zijn financiële situatie. Hij is daardoor ook meer alcohol gaan drinken en drugs gaan gebruiken. Het lukt verdachte niet om zijn leven zelfstandig op orde te krijgen en meer stabiliteit en financiële zekerheid te bewerkstelligen. Hij heeft inmiddels in het vrijwillig kader hulp gezocht. De reclassering heeft echter twijfels of het hem zal lukken om hier gemotiveerd voor te blijven. Zij schat het risico op recidive in als gemiddeld en adviseert daarom om bij een (deels) voorwaardelijke straf de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: een meldplicht, een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, een ambulante behandeling, een contactverbod met de mededaders, de verplichting om mee te werken aan het vinden en behouden van dagbesteding, de verplichting om mee te werken aan schuldhulpverlening en de verplichting om mee te werken aan middelencontrole.
Overschrijding van de redelijke termijn
In artikel 6, eerste lid, EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden. Wel moeten de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als zo'n handeling worden aangemerkt.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat een behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond
met een eindvonnis binnen vierentwintig maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze bijzondere omstandigheden kunnen zijn gelegen in de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is
behandeld.
De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak sprake is van bijzondere omstandigheden die zijn gelegen in het aantal verdachten, de omvang van het politiedossier en het groot aantal aangiftes. Het onderzoek Lawrencium betreft een zevental verdachten en heeft betrekking op grootschalige bankhelpdeskfraude waarbij ruim 300 aangiftes zijn onderzocht. Aan sommige verdachten is ook deelname aan een criminele organisatie, het voorhanden hebben van leads, het misbruiken van identificerende gegevens en computervredebreuk ten laste gelegd. De processen-verbaal van politie omvatten duizenden pagina’s en er zijn vele vorderingen – al dan niet door tussenkomst van de bank – ingediend van slachtoffers die schadeloos gesteld willen worden. Gelet op de verwevenheid van de verschillende dossiers was gelijktijdige behandeling daarvan onontkoombaar. Het groot aantal procespartijen heeft er mede toe bijgedragen dat het afstemmen van de agenda’s ten behoeve van het plannen van de inhoudelijke behandeling, langer heeft geduurd dan gebruikelijk, zonder dat daarvan overigens aan procespartijen een verwijt kan worden gemaakt.
De verdenking tegen verdachten is ontstaan als resultaat van het koppelen van aangiftes aan diverse gebruikte aliassen en aan onder andere onderzoek aan inbeslaggenomen gegevensdragers zoals telefoons. Van deze telefoons zijn omvangrijke datasets veilig gesteld en nader onderzocht.
Diverse raadslieden hebben, herhaaldelijk, een groot aantal onderzoekswensen ingediend die voornamelijk betrekking hadden op het horen van aangevers en het horen van medeverdachten als getuigen. De rechtbank heeft uiteindelijk een regiezitting gehouden en op een later moment schriftelijk op die onderzoekswensen beslist. De rechtbank acht vanwege al deze bijzondere omstandigheden een redelijke termijn van 30 maanden voor de zaken van alle verdachten in Lawrencium gerechtvaardigd.
De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de aanvangsdatum van de redelijk termijn moet worden gesteld op 15 maart 2025, de dag dat de dagvaarding is betekend, nu hij daaraan in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Tot aan dit vonnis is nog geen periode van 30 maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden.
Strafoplegging
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bezien in het licht van de straffen die in vergelijkbare zaken doorgaans worden opgelegd, en de rol van verdachte in het geheel, is de rechtbank van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar passend en geboden is. Hiermee zal verdachte een stok achter de deur hebben om te voorkomen dat hij (nogmaals) een strafbaar feit pleegt. De rechtbank zal aan de voorwaardelijke straf ook de bijzondere voorwaarden verbinden, zoals door de reclassering zijn geadviseerd, behoudens het contactverbod met de medeverdachten. Voor een dergelijk verbod ziet de rechtbank thans geen aanleiding.
Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf opleggen voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis indien deze niet of niet naar behoren wordt verricht.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen

7.1.
Algemene uitgangspunten en overwegingen
Zesendertig benadeelde partijen, waaronder ABN AMRO, ING en Rabobank, hebben zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Met het oog op de overzichtelijkheid heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen in een Excel-bestand verwerkt. Dit Excel-bestand is als bijlage III aan dit vonnis gehecht. De namen van de benadeelde partijen en de bijbehorende zaaknummers staan vermeld in kolom C en B. In kolom A staat vermeld wie de vordering heeft ingediend (de bank of de individuele rekeninghouder). De benadeelde partijen hebben de bedragen gevorderd die zijn vermeld in kolom D. Alle benadeelde partijen hebben tevens de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
7.2.
Materiële schade
7.2.1.
Natuurlijke personen
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.
De verdediging heeft primair bepleit dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, omdat er geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen de schade en het handelen van verdachte. Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de rol van [verdachte] als “money mule” maakt dat gebruik moet worden gemaakt van de schattingsbevoegdheid. Meer subsidiair heeft de verdediging naar voren gebracht dat de onderzoekskosten moeten worden gematigd naar (16x €120,-- =) €1920,--.
Hoewel verdachte niet zelf degene is geweest die zich voordeed als bankhelpdeskmedewerker, is het bewezenverklaarde witwassen gepleegd om het geld buiten het bereik van de benadeelde partijen te kunnen brengen. Door zijn bankrekening ter beschikking te stellen vormde verdachte hierbij een belangrijke en onmisbare schakel. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er dan ook voldoende verband tussen het witwassen en de geleden schade en heeft hij onrechtmatig gehandeld jegens de benadeelde partijen die te koppelen zijn aan het bewezenverklaarde feit. Verdachte is daarom verplicht de schade van deze benadeelde partijen te vergoeden. De rechtbank ziet gezien het voorgaande geen aanleiding gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid.
De rechtbank zal de bedragen die hierna in het Excel-bestand in kolom F worden genoemd, toewijzen. Het gaat om geldbedragen die de benadeelde partijen hebben overgemaakt door op de betaallink(s) te klikken, geldbedragen die met de bankpassen van de benadeelde partijen zijn gepind. Deze schade is voldoende onderbouwd en staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
In een aantal gevallen is het gevorderde bedrag hoger dan het bewezenverklaarde bedrag, omdat de uiteindelijke schade hoger bleek te zijn dan het bedrag dat in de tenlastelegging is opgenomen. In die gevallen zal de rechtbank het hogere bedrag toewijzen.
De bedragen die in kolom J worden genoemd, zal de rechtbank in deze procedure niet toewijzen. De benadeelde partijen zullen hiervoor niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij kunnen dit deel van hun vordering bij de burgerlijke rechter aanhangig maken. Het gaat om gevallen waarin de banken de schade al hebben vergoed of de benadeelde partijen op een andere manier hun geld hebben teruggekregen en/of gevallen waarin om vergoeding van de kosten voor het opschonen van de computer is gevraagd. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een causaal verband tussen de bankhelpdeskfraude en laatstgenoemde kosten.
7.2.2.
Banken
Rabobank heeft zich ook zelf gevoegd als benadeelde partij in deze procedure en een vordering tot schadevergoeding ingediend. Deze vordering van de bank houdt verband met de schadeloosstelling van zijn klanten die slachtoffer zijn geworden van de bankhelpdeskfraude en het onderzoek dat de bank zelf heeft uitgevoerd na meldingen van fraude door zijn klanten.
De rechtbank is van oordeel dat het bewezenverklaarde, strafbare, handelen van verdachte (het witwassen gezien in het geheel van de bankhelpdeskfraude) ook jegens de bank onrechtmatig is geweest. Door betaallinks aan te maken voor individuele rekeninghouders, om zo een betaling in gang te zetten door de bank met het oog op oplichting van deze rekeninghouders, is in strijd gehandeld met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De bank heeft gesteld hierdoor schade te hebben geleden die bestaat uit de vergoeding door de bank van de geldbedragen die zijn ontvreemd van de individuele rekeninghouders. Verdachte is dan ook verplicht de schade van de bank te vergoeden.
De rechtbank zal alleen die onderdelen van de vordering van de bank toewijzen die zien op de zaaksdossiers waar verdachte blijkens het hiervoor bewezenverklaarde directe betrokkenheid bij heeft gehad en de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor het overige. De rechtbank is er daarbij vanuit gegaan dat, daar waar de bank een lager bedrag heeft gevraagd, het meerdere inmiddels is geretourneerd, waardoor het geen schade (meer) betreft. De bedragen zijn vermeld in kolom F van bijlage III.
De rechtbank zal daarnaast de gemaakte onderzoekskosten van de bank toewijzen (kolom H van bijlage III). De bank heeft toegelicht op welke werkzaamheden de onderzoekskosten betrekking hebben. De rechtbank acht een forfaitair bedrag van € 120,- per dossier redelijk en zal verdachte dan ook (twaalf keer) veroordelen tot betaling van deze bedragen aan de bank.
7.3.
Immateriële schade
Een aantal benadeelde partijen heeft ook immateriële schade gevorderd.
In artikel 6:95, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat immateriële schade alleen voor vergoeding in aanmerking komt in de limitatief in de wet opgesomde gevallen. In artikel 6:106 BW Pro worden de gevallen genoemd waarin vergoeding van immateriële schade kan worden toegekend. Voor zover hier van belang, kan dat op grond van sub b van dat artikel aan de orde zijn indien de benadeelde partij ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor de benadeelde zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Hoewel invoelbaar is dat het bewezenverklaarde slapeloze nachten, gevoelens van angst, onveiligheid, schaamte, stress en wantrouwen bij de benadeelde partijen teweeg heeft gebracht, is dit niet voldoende om voor immateriële schadevergoeding in aanmerking te komen. In geen van de gevallen is geestelijk letsel vastgesteld. Verder is onvoldoende onderbouwd dat de aard en de ernst van de normschending door de verdachte en de mededaders dusdanige ingrijpende gevolgen bij de benadeelde partijen hebben veroorzaakt dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW Pro. Ook liggen de aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen voor de benadeelde partijen naar het oordeel van de rechtbank niet zozeer voor de hand dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk verklaren in (dat deel van) hun vordering (kolom J van bijlage III). Die vorderingen kunnen bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
7.4.
Schadevergoedingsmaatregel
7.4.1.
Natuurlijke personen
De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen bij toe te wijzen vorderingen van natuurlijke personen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
De bedragen van de schadevergoedingsmaatregel zijn vermeld in kolom T van bijlage III. Het maximum aantal dagen gijzeling is vermeld in kolom U van deze bijlage.
7.4.2.
Banken
De rechtbank zal geen schadevergoedingsmaatregel opleggen bij de toe te wijzen vordering van Rabobank.
De rechtbank acht oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in dit geval niet passend. De rechtbank ziet geen aanleiding de kosten van inning via de schadevergoedingsmaatregel af te wentelen op de Staat. Rabobank is een professionele organisaties die goed in staat kan worden geacht zelf de incasso van de toegewezen vordering ter hand te nemen. Met de toewijzing van de vordering is de aansprakelijkheid van de verdachte immers een gegeven. Eventueel staat hem daarbij de mogelijkheid van lijfsdwang via artikel 585 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten dienste. Bovendien zijn de voordelen voor de bank bij deze maatregel in het onderhavige geval relatief gering.
7.5.
Wettelijke rente
De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank zal ten aanzien van de benadeelde partijen van wie de vordering geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, bepalen dat de te vergoeden schadebedragen vermeerderd worden met wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Deze data staan vermeld in kolom S van bijlage III.
Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen zal dit worden bepaald. De rechtbank zal ten aanzien van de gevorderde onderzoekskosten de wettelijke rente toewijzen vanaf de datum van onderhavig vonnis.
7.6.
Proceskosten
Waar de vordering van een benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door die benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de eventuele kosten van tenuitvoerlegging.
7.7.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat door het ten aanzien van verdachte bewezenverklaarde witwassen (het ter beschikking stellen van de rekening) telkens een oplichting (in vereniging) mogelijk is gemaakt. Het witwassen was daarmee ook een essentieel onderdeel van de bankhelpdeskfraude als geheel. Daarom zal de rechtbank de toegekende schadevergoedingen en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders (die voor de oplichting zijn veroordeeld) is betaald, en andersom.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63, 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het primair ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Subsidiair: witwassen, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres Middendreef 293, 8233 GT Lelystad. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
* dat verdachte actief deelneemt aan de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden (CoVa) of een andere gedragsinterventie gericht op cognitieve vaardigheden, mits de toezichthouder dat haalbaar acht gelet op het problematische middelengebruik. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;
* dat verdachte zich laat behandelen door een nader door de reclassering te bepalen zorgverlener, gericht op middelengebruik en eventueel probleemoplossend vermogen. De behandeling start zo spoedig mogelijk na aanmelding. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen als de zorgverlener dat nodig acht;
* dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van (on)betaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
* dat verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van bet betalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijker Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
* dat verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
90 (negentig) dagen;
Benadeelde partijen
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partijen van de in
kolom F en kolom Hvan bijlage III genoemde bedragen aan materiële schade, voor wat betreft de bedragen in
kolom Fvermeerderd met de wettelijke rente vanaf de data zoals genoemd in
kolom Svan bijlage III tot aan de dag der algehele voldoening en voor wat betreft de bedragen in
kolom Hvanaf de datum van dit vonnis;
-
veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partijen tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in (het overige gedeelte van) de vorderingen, zoals vermeld in
kolom Jvan bijlage III, en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, ten behoeve van de slachtoffers de bedragen te betalen zoals vermeld in
kolom Tvan bijlage III, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf de data zoals genoemd in
kolom Svan bijlage III tot aan de dag der algehele voldoening;
-
bepaalt dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast voor de duur van het aantal dagen zoals ten aanzien van elke vordering in
kolom Uvan bijlage III vermeld, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.W.M. Speekenbrink, voorzitter,
en mr. I.M.L. Felix en mr. P.E. van Althuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Bos en mr. D.W. Schalk, griffiers,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 februari 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
primair
hij in of omstreeks de periode 28 maart 2023 tot en met 3 april 2023 te Velp, Arnhem, IJsselstein, Groenlo, Aalten, Hillegom en/of Zundert, althans in Nederland en/of in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten),
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
- [aangeefster 1] heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal) (ongeveer) € 36.172,20,
- [aangever 3] heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal) (ongeveer) € 2.500,40,
- [aangever 4] heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal) (ongeveer) € 11.202,00,
- [aangever 5] heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal) (ongeveer) € 15.002,40,
- [aangever 1] heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal) (ongeveer) € 12.102,00 en/of
- één of meer rekeninghouders van de Rabobank, ABN Amro Bank, ING bank, althans van een bank, te weten een of meer slachtoffer(s) genoemd in bijlage I
althans van enig (aanzienlijke/grote) geldbedrag(en) en/of de (digitale) gegevens van de (internet)bankrekening(en) en/of inloggegevens van deze bankrekening(en),
door zich (telkens) via de telefoon uit te geven als/voor (bonafide) bankmedewerker en (hierbij) door valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid te zeggen/berichten dat -zakelijk weergegeven-
- er fraude en/of verdachte transacties plaatsvonden op de bankrekeningen van voornoemde personen en/of er geld van de bankrekeningen van voornoemde personen is/ wordt gepind,
- voornoemde personen veilig(er) zijn/haar bankzaken dient te doen en/of de bankrekening en/of het geld van voornoemde personen geblokkeerd en/of verzekerd en/of veiliggesteld moet worden,
- ( het hoofdkantoor van) de Rabobank, ABN Amro Bank, ING bank, althans van een bank e-mails en/of een whatsappbericht naar voornoemde personen stuurt waarin een link staat en dat deze emails moeten worden geopend en/of voornoemde personen zijn/haar bankapplicatie dienen te openen,
- voornoemde personen moeten inloggen op de internetbankierenaccount(s) waartoe zij toegang hadden en het geld van de spaarrekening over moeten boeken naar de betaalrekening zodat het geld veilig gesteld wordt en/of
- voornoemde personen de link moeten aanklikken en betalingen moeten bevestigen met de random reader zodat het geld veilig gesteld wordt waardoor (een of meer van) bovengenoemde persoon/personen (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);
(art 326 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode 28 maart 2023 tot en met 3 april 2023 te Velp, Arnhem, IJsselstein, Groenlo, Aalten, Hillegom en/of Zundert, althans in Nederland en/of in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten),
(van) een geldbedrag van in totaal € 222.787,60 (bijlage I), althans (van) enig geldbedrag
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest
vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk – afkomstig
was/waren uit enig misdrijf;
( art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht )
(afbeelding geanonimiseerd)