De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 10 februari 2026 een vonnis gewezen in een ontnemingszaak tegen een verdachte die eerder op die dag is veroordeeld voor medeplegen van oplichting. De verdachte was betrokken bij 65 gevallen van bankhelpdeskfraude in de periode van september 2022 tot juli 2023. De officier van justitie had een ontnemingsvordering ingediend als vangnet om het wederrechtelijk verkregen voordeel terug te vorderen.
De rechtbank baseerde zich op het vonnis in de hoofdzaak en het rapport van de politie waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel werd berekend volgens scenario 2, een pondspondsgewijze verdeling op basis van betrokkenheid per bewezenverklaarde oplichting. Hierbij werd rekening gehouden met bedragen die door banken waren teruggehaald. Het voordeel voor de verdachte werd vastgesteld op €131.956,13.
De rechtbank overwoog dat de ontnemingsvordering niet bedoeld is om dubbele betaling te veroorzaken en dat de betalingsverplichting op dit moment niet kan worden vastgesteld vanwege onduidelijkheid over de verdeling van de hoofdelijk toegewezen vorderingen en de bijdrage van medeverdachten. Daarom werd de betalingsverplichting voorlopig op nihil gesteld.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank legde de betalingsverplichting op nihil, maar stelde het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer in Breda.