De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 10 februari 2026 een vonnis gewezen in een ontnemingszaak tegen een verdachte die is veroordeeld voor medeplegen van oplichting. De verdachte was betrokken bij 57 gevallen van bankhelpdeskfraude in de periode van januari 2022 tot juli 2023. De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, dat werd berekend op basis van een rapport van de politie.
De rechtbank baseerde haar oordeel op het vonnis in de hoofdzaak en de bijbehorende bewijsmiddelen. Er werd vastgesteld dat de verdachte voordeel had genoten van €146.569,38, waarbij een pondspondsgewijze verdeling werd toegepast op basis van de mate van betrokkenheid per bewezenverklaarde oplichting. De verdediging had een lager bedrag van €20.000,- voorgesteld, maar dit werd niet overgenomen.
De rechtbank stelde vast dat de ontnemingsvordering als vangnet dient en dat het niet de bedoeling is dat de verdachte dubbel betaalt. Omdat op het moment van het vonnis nog geen vorderingen aan benadeelden waren voldaan en onduidelijkheid bestond over de verdeling van de hoofdelijk toegewezen vorderingen, kon de rechtbank de betalingsverplichting niet vaststellen en stelde deze voorlopig op nihil.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank in Breda, waarbij ook de ontnemingsvorderingen van medeverdachten werden behandeld.