Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] , uit [woonplaats] , eiser 1,
[stichting], uit [plaats] ,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg om een omgevingsvergunning te verlenen voor werkzaamheden binnen acht meter van zeven potentieel waardevolle bomen. Zij vorderen vernietiging van het besluit omdat zij vrezen dat de werkzaamheden onherstelbare schade aan twee specifieke bomen zullen veroorzaken.
De rechtbank beoordeelt eerst de belanghebbendheid van eisers en concludeert dat zij als omwonenden voldoende belanghebbenden zijn. Vervolgens wordt het wettelijke kader besproken, waarbij de Omgevingswet en het omgevingsplan van Tilburg centraal staan, die het uitvoeren van werkzaamheden nabij bomen reguleren om schade te voorkomen.
De kern van het geschil betreft de vraag of het college voldoende heeft gemotiveerd dat de werkzaamheden geen onherstelbare schade aan de bomen zullen toebrengen. De rechtbank oordeelt dat het college dit aannemelijk heeft gemaakt aan de hand van een bomeneffectanalyse, een advies van een boomdeskundige en de aan de vergunning verbonden voorschriften die de werkzaamheden beperken en begeleiden.
De rechtbank wijst het beroep af en verklaart het ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter R.P. Broeders op 12 februari 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard omdat geen onherstelbare schade aan de bomen wordt verwacht.