ECLI:NL:RBZWB:2026:869
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €375.000 per 1 januari 2023. Tevens werd bezwaar gemaakt tegen de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) die op basis van deze waarde was opgelegd. De rechtbank behandelde het beroep op 19 november 2025, waarbij belanghebbende niet aanwezig was.
De heffingsambtenaar onderbouwde de WOZ-waarde met een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met drie referentiewoningen die qua ligging, bouwjaar, oppervlakte en uitstraling voldoende vergelijkbaar waren. Er werd rekening gehouden met verschillen zoals een aangebouwde garage, aanbouw, zolder en achterstallig onderhoud, waarvoor neerwaartse correcties werden toegepast.
Belanghebbende stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met de minder gunstige ligging, het achterstallige onderhoud en het gedateerde energielabel. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar deze aspecten voldoende had verwerkt in de waardering, onder meer door een correctie op de grondwaarde en een neerwaartse correctie van €45.000 voor onderhoud.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en dat het beroep ongegrond is. De aanslag OZB volgt het oordeel over de WOZ-waarde en blijft gehandhaafd. Belanghebbende krijgt geen griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde van €375.000 blijft gehandhaafd.