ECLI:NL:RBZWB:2026:876

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/5852
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbArt. 4.4 Woo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet binnen twee maanden alsnog beslissing nemen op Woo-aanvraag en dwangsom betalen

Eiseres heeft op 10 september 2025 een aanvraag ingediend bij de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op grond van de Wet open overheid (Woo). De minister had uiterlijk op 23 oktober 2025 moeten beslissen, inclusief een eenmalige verlenging en een opschorting van één dag. De minister heeft echter niet tijdig besloten, ondanks een ingebrekestelling op 27 oktober 2025.

De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en legt de minister op binnen twee weken na de uitspraak een besluit te nemen. Gezien de complexiteit en het aantal documenten (4.037) die geschoond moeten worden, verlengt de rechtbank deze termijn naar twee maanden na verzending van de uitspraak. Tevens wordt een dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 opgelegd voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt.

De minister moet ook het griffierecht van € 385 en proceskosten van € 467 aan eiseres vergoeden. De rechtbank wijst het verzoek van de minister om een lagere dwangsom af, omdat dit de eerste keer is dat beroep wordt ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. De uitspraak is zonder zitting gedaan en openbaar gemaakt op 11 februari 2026.

Uitkomst: De minister moet binnen twee maanden alsnog een besluit nemen en een dwangsom betalen bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5852

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. D.J.C. Post),
en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag op grond van de Wet open overheid (Woo) van 10 september 2025 om informatie met betrekking tot “vrijstellingsbesluit en/of artikel 40 Geneesmiddelenwet Pro en/of artikel 3.17 Regeling geneesmiddelenwet en/of artikel 3.17a Regeling geneesmiddelenwet en/of nieuwe wetgeving (m.b.t. voornoemde artikelen uit de Geneesmiddelenwet en Regeling geneesmiddelenwet) en/of informatie met betrekking tot het plaatsen op het Overzicht geneesmiddelen onder aanwijzing en/of het nemen van een tekortenbesluit ex artikel 3.17a Regeling geneesmiddelenwet”.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 10 september 2025. De minister moet binnen vier weken beslissen op de aanvraag en kan deze termijn eenmalig met maximaal twee weken verlengen. [2] De minister heeft de termijn met twee weken verlengd. De beslistermijn is met één dag opgeschort geweest, omdat eiseres haar aanvraag diende te specificeren. De minister had dus uiterlijk op 23 oktober 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen de minister moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft de minister op 27 oktober 2025 in gebreke gesteld en de minister heeft de ingebrekestelling op 28 oktober 2025 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan de minister worden opgelegd?
4. Omdat de minister nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de minister dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de minister dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
De minister heeft in zijn verweerschrift van 1 december 2025 uitgelegd dat hij tot drie maanden na de uitspraak van de rechtbank nodig heeft omdat het gaat om zo'n 4.037 documenten die geschoond moeten worden. Aansluitend moet een zienswijze worden gevraagd aan de betrokken derde-belanghebbenden, waarvoor een reactieperiode van twee weken geldt. Daarna volgt een interne reviewfase waarin de betrokken beleidsdirectie de documenten controleert. Pas na afronding van deze stappen kan een definitief besluit worden genomen. De rechtbank vindt dat, gelet op de hoeveelheid documenten die aangetroffen zijn, een goede reden. Omdat het verweerschrift dateert van twee maanden geleden en de rechtbank ruim een maand later uitspraak op het beroep doet dan in deze zaken gebruikelijk is, bepaalt zij de termijn waarbinnen de minister het besluit moet nemen op twee maanden na het verzenden van de uitspraak.
Welke dwangsom wordt aan de minister opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. De rechtbank ziet vooralsnog geen aanleiding om geen dan wel een verlaagde dwangsom, zoals verzocht door de minister, vast te stellen. Als de minister gewoon beslist binnen de opgelegde termijn, die overeenkomt met de termijn waar de minister zelf om heeft verzocht, wordt aan een dwangsom niet toegekomen. Daarnaast is deze situatie niet vergelijkbaar met de uitspraak waarnaar de minister verwijst. [3] In die uitspraak was er al sprake van een vijfde beroep tegen een niet op tijd beslissen en in deze zaak is sprake van een eerste beroep.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, de minister twee maanden de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de minister de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 11 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 4.4, eerste en tweede lid van de Woo.
3.Uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1135.