Eiseres heeft op 29 januari 2021 een verzoek ingediend op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om informatie over Covid. Door het uitblijven van een besluit heeft zij meerdere keren beroep ingesteld tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De rechtbank heeft in eerdere uitspraken steeds bepaald dat de minister binnen veertien dagen een besluit moest nemen, onder dreiging van dwangsommen.
In januari 2024 stelde eiseres voor de vijfde keer beroep in en verzocht om een uitspraak vóór 15 februari 2024 met een dwangsom voor nieuwe termijnoverschrijdingen. De rechtbank stelde een zitting voor op 10 april 2024, maar besloot het beroep zonder zitting af te doen vanwege de toezegging van de minister om uiterlijk 31 maart 2024 te beslissen.
De rechtbank oordeelt dat de vertraging van ruim drie jaar excessief is, maar gaat uit van de toezegging van de minister. Daarom bepaalt zij dat uiterlijk op 31 maart 2024 een besluit moet worden genomen. De rechtbank legt geen nieuwe dwangsom op vanwege de reeds opgelegde dwangsommen van in totaal €110.075,-, die zij als excessief beschouwt en in het licht van het algemene belang van openbaarmaking.
Eiseres behoudt het recht om opnieuw beroep in te stellen bij niet-naleving, waarbij een minimale dwangsom wordt opgelegd om snelle behandeling te waarborgen. De rechtbank wijst de proceskosten van €437,50 en het griffierecht van €371,- toe aan eiseres.