ECLI:NL:RBZWB:2026:890

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
AWB 24_5584
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 87 GemeentewetArt. 89 GemeentewetArt. 4.1 WooArt. 5.1 WooArt. 5.2 Woo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van gedeeltelijke openbaarmaking en geheimhouding van gemeentelijke documenten

Eiser verzocht om openbaarmaking van zestien documenten die verband houden met een bedrijf, waarvan een deel onder geheimhouding viel op grond van de Gemeentewet. Het college besloot sommige documenten gedeeltelijk openbaar te maken en de geheimhouding op andere documenten te handhaven. Eiser maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde dat het college onvoldoende had gemotiveerd en onterecht geheimhouding had gehandhaafd.

De rechtbank beoordeelde per deelbesluit of het college de geheimhouding terecht had gehandhaafd en de openbaarmaking juist had beperkt. De rechtbank concludeerde dat het college de geheimhouding op documenten 1, 10 en 11 terecht handhaafde vanwege de economische en financiële belangen van de gemeente en het belang van het goed functioneren van de gemeente, mede omdat het ging om processtrategieën en vertrouwelijke adviezen van de gemeentelijke advocaat.

Voor andere documenten oordeelde de rechtbank dat het college terecht een beroep deed op bescherming van concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens en de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen. Ook werd bevestigd dat persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad niet openbaar hoeven te worden gemaakt. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard, waardoor het college niet verplicht is tot verdere openbaarmaking en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het college mocht de geheimhouding handhaven en documenten gedeeltelijk openbaar maken.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/5584

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg, het college
(gemachtigde: mr. D. van Tilborg en mr. T.J. ten Caten).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de (gedeeltelijke) openbaarmaking en de weigering tot opheffen van de geheimhouding van stukken. Eiser is het niet daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college in redelijkheid de opheffing van de geheimhouding heeft kunnen weigeren en documenten gedeeltelijk openbaar heeft gemaakt.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot gedeeltelijke openbaarmaking van documenten en de geheimhouding die rust op een aantal documenten niet op te heffen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 23 mei 2024 heeft het college besloten het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond te verklaren en een deel van de deelbesluiten gedeeltelijk te herroepen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens het college [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] en zijn gemachtigde mr. D. van Tilborg.
3. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kennisgenomen van de door eiser verzochte informatie.
3.1.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Beoordeling door de rechtbank

De niet betwiste feiten
4. Eiser heeft op 22 juni 2023 een verzoek ingediend tot openbaarmaking van zestien document(groep)en die verband houden met [bedrijf] . Op een deel van de documenten rust geheimhouding op grond van artikel 87 van Pro de Gemeentewet. Eiser heeft ten aanzien van die documenten ook verzocht om opheffing van die geheimhouding.
4.1.
Het college heeft met het besluit van 15 september 2023 beslist over de openbaarmaking van de document(soort)en 13 tot en met 16. Het college heeft besloten het verzoek ten aanzien van die documenten (gedeeltelijk) te honoreren en de documenten (gedeeltelijk) openbaar te maken. Dit besluit wordt deelbesluit 4 genoemd.
4.2.
Het college heeft met het besluit van 19 september 2023 beslist over de openbaarmaking van de document(soort)en 1 tot en met 8 en 10 tot en met 12. Het college heeft beslist de geheimhouding van de documenten 1, 10 en 11 niet op te heffen. Ten aanzien van de overige documenten wordt de geheimhouding wel opgeheven. Dit besluit wordt deelbesluit 1 genoemd.
4.3.
Het college heeft met het besluit van 25 september 2023 beslist over de openbaarmaking van de documenten 1 tot en met 8 en 10 tot en met 12. Het college heeft besloten om het verzoek ten aanzien van die documenten gedeeltelijk te honoreren. Dit besluit wordt deelbesluit 2 genoemd.
4.4.
Het college heeft met het besluit van 17 oktober 2023 beslist over de openbaarmaking van document 9 (onderdeel 2). De gemeenteraad heeft op 5 oktober 2023 besloten om de opgelegde geheimhouding van dat document op te heffen. Het college heeft besloten het verzoek gedeeltelijk te honoreren en het document gedeeltelijk te openbaren. Dit besluit wordt deelbesluit 3 genoemd.
4.5.
Eiser heeft tegen de deelbesluiten afzonderlijk bezwaar gemaakt.
4.6.
De bezwaarschriftencommissie heeft op 2 april 2024 geadviseerd om:
- het bezwaar tegen deelbesluit 1 ongegrond te verklaren met aanpassing van de motivering;
- het bezwaar tegen deelbesluit 2 gegrond te verklaren en het deelbesluit te herroepen, in die zin dat de persoonsgegevens van [naam] , het bestaan en/of de verwijzing naar de bemiddelingsovereenkomst tussen de gemeente en [naam] en het bedragen van de uitgekeerde nadeelcompensatie openbaar wordt gemaakt;
- het bezwaar tegen deelbesluit 3 gegrond te verklaren en het deelbesluit te herroepen, in die zin dat bepaalde persoonsgegevens, het bestaan en/of de verwijzing naar de bemiddelingsovereenkomst en het bedrag van de uitgekeerde nadeelcompensatie openbaar wordt gemaakt;
- het bezwaar tegen deelbesluit 4 gegrond te verklaren en het deelbesluit te herroepen, in die zin dat bepaalde persoonsgegevens openbaar wordt gemaakt en de zoekslag en uitvraag naar Whatsapp- en sms-berichten nader wordt gemotiveerd.
4.7.
Het college heeft met het bestreden besluit van het advies afgeweken ten aanzien van het openbaar maken van de persoonsgegevens van [naam] en voor het overige het advies overgenomen.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
5. Eiser heeft betoogd dat het college heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Het college had in de documenten zelf de weigeringsgronden moeten opnemen. Verder heeft het college voor de motivering van het bestreden besluit verwezen naar het lichaam van het besluit, de inhoud van de vier deelbesluiten, de adviezen van de bezwaarschriftencommissie en het verweerschrift op bezwaar. Dit is onnodig onduidelijk.
5.1.
Het college heeft gesteld dat het niet heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel. In de deelbesluiten is per documentnummer opgenomen of deze wordt verstrekt en zo niet, welke weigeringsgrond van toepassing is. Voor wat betreft het vierde deelbesluit is in de inventarisatielijst per document opgenomen op welke weigeringsgronden een beroep wordt gedaan. Het is eenvoudig te achterhalen op welke weigeringsgrond het college zich beroept. Voor zover in een document een beroep is gedaan op meerdere weigeringsgronden, is aan de hand van de inhoud van de documenten en de motivering eenvoudig te achterhalen om welke weigeringsgrond het gaat.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke gronden het openbaarmaking van documenten of onderdelen van documenten heeft geweigerd. Het college heeft per document inzichtelijk gemaakt of deze (gedeeltelijk) openbaar wordt gemaakt. Voor zover openbaarmaking (gedeeltelijk) wordt geweigerd, is aan de hand van de deelbesluiten, inventarisatielijsten en het bestreden besluit te achterhalen op welke weigeringsgrond(en) het college zich beroept. Hoewel op verschillende documenten meerdere weigeringsgronden van toepassing zijn, is uit het bestreden in combinatie met genoemde lijsten en de deelbesluiten te herleiden of deze weigeringsgronden in samenhang van toepassing zijn en zo niet welke weigeringsgrond specifiek ziet op welk deel van de niet openbaar gemaakte informatie in het document. Het college is er niet toe gehouden de documenten te voorzien van de toegepaste weigeringsgronden per onderdeel. [1]
5.3.
De rechtbank zal hierna per deelbesluit beoordelen of het college op goede gronden de openbaarmaking (gedeeltelijk) heeft kunnen weigeren.
Deelbesluit 1
6. Deelbesluit 1 heeft betrekking op de weigering van de opheffing van de geheimhouding van de documenten 1, 10 en 11. De opheffing van de geheimhouding is met het deelbesluit geweigerd in het belang van de economische en financiële belangen van de gemeente [2] , het belang van het goed functioneren van de gemeente [3] en omdat sprake zou zijn van persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad [4] . De laatste weigeringsgrond heeft het college met het bestreden besluit laten vallen.
6.2.
Eiser heeft betoogd dat het college ten onrechte de geheimhouding niet heeft opgeheven. Het college heeft, in tegenstelling tot het advies van de bezwaarschriftencommissie, haar motivering niet aangepast. Daarnaast is de opheffing van geheimhouding ten onrechte integraal geweigerd. Beoordeling had moeten plaatsvinden per documentonderdeel. Ten slotte is de weigering niet genoegzaam gemotiveerd. Het enkele feit dat het college een, niet onderbouwde, angst heeft voor een civielrechtelijke procedure, is daarvoor onvoldoende.
6.3.
Het college heeft gesteld dat het voldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom de geheimhouding van de documenten niet wordt opgeheven. Met het bestreden besluit is de motivering van het college aangepast en is voldoende kenbaar op welke weigeringsgronden het college zich beroept. Het college heeft daarbij opheffing van de geheimhouding van de documenten niet beoordeeld op documentniveau, aangezien voor het gehele document de verplichting tot geheimhouding is opgelegd. Deze verplichting tot geheimhouding kon worden opgelegd omdat de informatie kan worden gebruikt in toekomstige procedures die worden gevoerd tegen de gemeente.
6.4.
Op grond van artikel 87 van Pro de Gemeentewet kan (onder meer) het college op grond van een belang, genoemd in artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Woo, een verplichting tot geheimhouding opleggen ten aanzien van informatie die bij dat orgaan berust.
Op grond van artikel 89, eerste lid, van de Gemeentewet wordt een verplichting tot geheimhouding vermeld op het stuk ten aanzien waarvan de geheimhouding geldt.
Op de documenten 1, 10 en 11 is door het college eerder de verplichting tot geheimhouding opgelegd.
Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) heeft geoordeeld op 5 december 2018 [5] dient een verzoek om openbaarmaking van documenten ten aanzien waarvan krachtens de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd altijd tevens te worden opgevat als verzoek om opheffing van die geheimhouding. Bij een verzoek om opheffing van de geheimhouding staat ter beoordeling of ten tijde van dat verzoek nog voldoende grond bestond voor de geheimhouding. Daarbij toetst de rechter of het bestuursorgaan zich, gelet op de inhoud van de verzochte informatie ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich een belang als bedoeld in artikel 5.1, eerste of tweede lid, van de Woo voordoet en of het bestuursorgaan in het betrokken geval in redelijkheid op grond van de Gemeentewet geheimhouding kan opleggen.
6.5.
De rechtbank overweegt dat het college haar motivering van de weigering om over te gaan tot opheffing van de geheimhouding met het bestreden besluit nader heeft gemotiveerd naar aanleiding van het advies van de bezwaarschriftencommissie. Volgens de bezwaarschriftencommissie had het college met het besluit van 19 september 2023 ten onrechte de opheffing onder meer geweigerd op de grond dat sprake zou zijn van persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad [6] . Met het bestreden besluit heeft het college, in het kader van de volledige heroverweging in de bezwarenprocedure onder verwijzing naar het verweer op bezwaar en het advies van de bezwaarschriftencommissie, de motivering van de weigering aangepast. De opheffing van de geheimhouding is met het bestreden besluit dus alleen geweigerd op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder b en i, van de Woo. De rechtbank ziet niet in waarom deze wijze van aanpassing van de motivering onjuist is.
6.6.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen beoordeling per documentonderdeel moet plaatsvinden, maar een beoordeling op documentniveau. Het college wijst daarbij op een uitspraak van de ABRvS van 3 mei 2023. [7] In artikel 87 van Pro de Gemeentewet is bepaald dat het college een verplichting tot geheimhouding kan opleggen ten aanzien van informatie die bij het college berust. In artikel 89 van Pro de Gemeentewet is bepaald dat op het betreffende schriftelijke stuk, waarop geheimhouding wordt opgelegd, wordt aangetekend dat hierop die verplichting tot geheimhouding rust. Uit de samenhang tussen de artikelen 87 en 89 van de Gemeentewet leidt de rechtbank af dat geheimhouding wordt opgelegd voor een schriftelijk
stukwaarin de geheim te houden informatie is opgenomen
.Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de geheimhouding geldt voor het hele document, en niet slechts voor bepaalde onderdelen van het betreffende document. Het college stelt zich naar het oordeel van de rechtbank dus terecht op het standpunt dat bij een verzoek tot opheffing van geheimhouding beoordeling op documentniveau moet plaatsvinden. Het college hoeft niet per documentonderdeel een beoordeling te maken.
6.7.
De rechtbank komt, na kennisneming van de documenten, tot het oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het de geheimhouding niet heeft opgeheven met het oog op de financiële en economische belangen van de gemeente en het goed functioneren van de gemeente. De documenten 1, 10 en 11 geven denkrichtingen, opties met aanbevelingen en kanttekeningen ten behoeve van een afweging van de belangen en mogelijkheden bij de afwikkeling van een civielrechtelijk geschil. Er wordt daarmee inzicht geboden in de processtrategie en de schikkingsbereidheid van het college omdat concreet uiteen wordt gezet welke stappen het college zet en welke afwegingen het maakt wanneer het in onderhandeling is met een burger. Dit kan leiden tot verzwakking van de positie van de gemeente in een onderhandeling, omdat een tegenpartij zijn of haar strategie kan aanpassen aan de hand van de informatie. Voor wat betreft document 11 komt daar nog bij dat dit een advies van de advocaat van de gemeente betreft. Het verstoren van de vertrouwelijke relatie tussen een advocaat en een cliënt schaadt onder meer het goed functioneren van de gemeente. De rechtbank kan dit standpunt van het college volgen.
Deelbesluit 2
7. Deelbesluit 2 heeft betrekking op de (gedeeltelijke) weigering van de openbaarmaking van documenten 2 tot en met 12, met uitzondering van de documenten 10 en 11. Het college heeft ten aanzien van deze documenten een beroep gedaan op het belang van de economische en financiële belangen van de gemeente [8] , het belang van de bescherming van concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens [9] en het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer [10] .
7.1.
Eiser heeft aangevoerd dat het college openbaarmaking niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Het enkele feit dat het college een, niet onderbouwde, angst heeft voor een civielrechtelijke procedure, is onvoldoende om een beroep te doen op artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo. Voor zover een beroep is gedaan op artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo heeft het college niet voldoende gemotiveerd dat sprake is van concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens die niet openbaar gemaakt kunnen worden. Ten slotte had openbaarmaking van de gegevens van de cliënt van eiser niet op grond van artikel 5.2, tweede lid, onder e, van de Woo hoeven te worden geweigerd. De cliënt van eiser heeft namelijk expliciet ingestemd met openbaarmaking, in lijn met artikel 5.5 van de Woo. Het college kent ten onrechte doorslaggevende betekenis toe aan het feit dat het gaat om een relatief grote verwerking van de persoonsgegevens.
7.2.
Het college heeft gesteld dat de documenten (gedeeltelijk) niet openbaar gemaakt konden worden. Een deel van de informatie kan worden gebruikt in toekomstige procedures die worden gevoerd tegen de gemeente. Daarnaast is een deel van de informatie afkomstig van derden en is dit aan te merken als concurrentiegevoelige bedrijfsinformatie. Ten slotte is openbaarmaking van de persoonsgegevens van de cliënt van eiser geweigerd in het belang van de eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
7.3.
Voor zover het college in de documenten openbaarmaking van gegevens in offertes en informatie afkomstig uit offertes van derden heeft geweigerd, heeft het zich in redelijkheid kunnen beroepen op het belang van de economische en financiële belangen van de gemeente. De rechtbank verwijst voor de motivering van haar oordeel naar hetgeen zij heeft overwogen in overweging 6.7. Deze gegevens zijn immers onderdeel van de daar genoemde afwikkeling van een financieel geschil en de daarin te stappen zetten.
7.4.
Verder is de rechtbank van oordeel dat deze informatie ook geweigerd kon worden in het belang van de bescherming van concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens. Het bevat gegevens met een concurrentiegevoelig karakter. Het geeft niet alleen inzicht in de opbouw van geoffreerde bedragen, maar ook in de werkwijze van de betreffende onderneming. Ditzelfde geldt voor een deel van document 2, dat een verftechnisch advies van een onderneming bevat.
7.5.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het college in redelijkheid kunnen besluiten tot het niet openbaar maken van de persoonsgegevens van de cliënt van eiser. Eiser heeft ter vergelijking verwezen naar artikel 5.5 van de Woo. Op grond van artikel 5.5 van de Woo kan een persoon het bestuursorgaan verzoeken over te gaan tot verstrekking, niet openbaarmaking, van documenten die diegene zelf betreffen. In dit geval gaat het echter niet om verstrekking, omdat de cliënt van eiser niet zelf een verzoek op grond van de Woo heeft ingediend, maar om openbaarmaking van documenten aan een ieder. Dit betekent dat een ieder kennis kan nemen van persoonsgegevens van de cliënt van eiser. Verder is niet relevant dat de cliënt van eiser toestemming zou hebben gegeven om over te gaan tot openbaarmaking van zijn persoonsgegevens. Het is aan het college om het belang dat is gediend met openbaarmaking af te wegen tegen het belang van de bescherming van de persoonsgegevens. Het college heeft voldoende gemotiveerd waarom het van oordeel is dat het belang van de bescherming van de persoonsgegevens in dit geval zwaarder weegt.
7.6.
Openbaarmaking van document 8 is ten slotte integraal geweigerd op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder b, en artikel 5.2, eerste lid, van de Woo. Het betreft een overzicht dat is opgemaakt door een medewerker van de gemeente in het kader van waardering van de onderhandelingspositie in het geschil met de client van eiser. In het document is informatie opgenomen die afkomstig is uit offertes waarbij de bescherming van belang van concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens, gelet op overweging 7.4., zich verzet tegen openbaarmaking.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het document is opgesteld door een ambtenaar die de in het document opgenomen informatie kon analyseren en omzetten in bruikbare informatie. Uit het document kan een opvatting over de hierin opgenomen informatie worden afgeleid. Het document is door het college terecht als een persoonlijke beleidsopvatting ten behoeve van intern beraad aangemerkt. Daarnaast heeft het college terecht zich op het standpunt gesteld dat openbaarmaking van het document een te grote inbreuk maakt op het uitgangspunt dat medewerkers en ambtenaren in vrijheid hun opvatting moeten kunnen geven ten behoeve van intern beraad. Het college heeft in redelijkheid kunnen besluiten tot weigering van openbaarmaking van het document.
Deelbesluit 3
8. Deelbesluit 3 heeft betrekking op de (gedeeltelijke) weigering over te gaan tot openbaarmaking van document 9. Openbaarmaking is gedeeltelijk geweigerd op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder b, e en f van de Woo.
8.1.
Eiser heeft betoogd dat het college ten onrechte de conceptversie van document 9 niet openbaar heeft gemaakt. Daarnaast zijn ten onrechte de persoonsgegevens van de cliënt van eiser niet openbaar gemaakt. Het enkele feit dat het college een, niet onderbouwde, angst heeft voor een civielrechtelijke procedure, is verder onvoldoende om een beroep te doen op artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo. Voor zover een beroep is gedaan op artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo, heeft het college niet voldoende gemotiveerd dat sprake is van concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens die niet openbaar gemaakt kunnen worden.
8.2.
Het college heeft gesteld dat de conceptversies van document 9 buiten de reikwijdte van het verzoek vallen. Eiser heeft hierom niet expliciet verzocht. Daarnaast is document 9 terecht slechts gedeeltelijk openbaar gemaakt. Een deel van de informatie kan worden gebruikt in toekomstige procedures die worden gevoerd tegen de gemeente. Daarnaast is een deel van de informatie afkomstig van derden en is dit aan te merken als concurrentiegevoelige bedrijfsinformatie. Ten slotte zijn de persoonsgegevens van de cliënt van eiser weggelakt in het belang van de eerbiediging van zijn levenssfeer.
8.3.
De rechtbank is allereerst met het college van oordeel dat de conceptversies van document 9 buiten de reikwijdte van het verzoek vallen. Eiser heeft ten aanzien van andere documenten vermeld dat hij mede heeft verzocht om de conceptversies en heeft dat ten aanzien van document 9 expliciet niet gedaan. Het college mocht er daarom in redelijkheid van uitgaan dat het verzoek van eiser zich beperkte tot document 9 en niet tot de conceptversies daarvan.
8.4.
De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten de persoonsgegevens van de cliënt van eiser niet openbaar te maken. De rechtbank verwijst voor de motivering van dit oordeel naar overweging 7.5. Verder heeft het college naar het oordeel van de rechtbank bij de gedeeltelijke weigering document 9 openbaar te maken een beroep op de weigeringsgronden b en f kunnen doen. Voor de motivering van haar oordeel verwijst de rechtbank naar overwegingen 6.7. en 7.4.
Deelbesluit 4
9. Deelbesluit 4 ziet op de documenten(groepen) 13 tot en met 16. De openbaarmaking van de documenten is gedeeltelijk geweigerd in het belang van de economische en financiële belangen van de gemeente [11] en in het belang van de eerbiediging van persoonlijke levenssfeer [12] . Ten slotte is voor een deel van de informatie sprake van persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad. [13]
9.1.
Eiser heeft betoogd dat de het college ten onrechte de persoonsgegevens van de cliënt van eiser niet openbaar heeft gemaakt. Daarnaast is het college te snel overgegaan tot het oordeel dat een deel van de informatie persoonlijke beleidsopvattingen bevat. Ten slotte is ten onrechte een deel van de informatie niet openbaar gemaakt omdat dit processtukken zouden zijn in een civielrechtelijke procedure.
9.2.
Het college heeft gesteld dat zij in redelijkheid openbaarmaking van de persoonsgegevens van de cliënt van eiser heeft kunnen weigeren. Daarnaast zijn delen niet openbaar gemaakt omdat sprake is van persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad. Ten slotte vallen de processtukken uit een civielrechtelijke procedure niet onder de reikwijdte van de Woo op grond van artikel 8.8 van de Woo.
9.3.
De rechtbank is van oordeel, onder verwijzing naar overweging 7.5, dat het college in redelijkheid openbaarmaking van de persoonsgegevens van de cliënt van eiser in de documenten heeft kunnen weigeren in het belang van de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer.
9.4.
Het college heeft delen van document 14 niet openbaar gemaakt omdat sprake zou zijn van persoonlijke beleidsopvattingen, opgesteld ten behoeve van intern beraad. De inhoud van de documenten geven de opvattingen en inzichten weer van een ambtenaar over een bepaald geschil. De rechtbank is, na kennisneming van het document, van oordeel dat sprake is van een persoonlijke beleidsopvatting ten behoeve van intern beraad en dat het college op goede gronden heeft besloten het document niet openbaar te maken.
9.5.
Verder zijn delen van de informatie niet openbaar gemaakt met een beroep op artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo. Daarbij is bij een deel van die weigering vermeld dat het informatie bevat die afkomstig is uit documenten waarop de verplichting tot geheimhouding rust. De rechtbank stelt, na kennisneming van de documenten vast, dat het daadwerkelijk informatie uit de documenten 1, 10 of 11 bevat en hierop dus geheimhouding rust. Voor wat betreft de weigering van de overige informatie is de rechtbank van oordeel dat het college, gelet op overweging 6.7., in redelijkheid heeft kunnen besluiten deze informatie niet openbaar te maken.
9.6.
Delen van document 15 zijn bij primair besluit niet openbaar gemaakt op grond van artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo. Na heroverweging in het kader van de bezwarenprocedure stelt het college zich op het standpunt dat deze informatie niet valt onder de reikwijdte van de Woo. De informatie betreft processtukken in een civielrechtelijke procedure, waarin de gemeente zelf geen partij vormde. Deze processtukken zijn ter kennisname overhandigd aan de gemeente. Op deze informatie is artikel 29 van Pro het Wetboek op de Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing. De Woo is niet van toepassing op documenten in de zin van artikel 29 van Pro de Rv, op grond van artikel 8.8 van de Woo. Het college heeft deze informatie om die reden terecht niet openbaar gemaakt naar aanleiding van het Woo-verzoek.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot (gedeeltelijke) weigering van openbaarmaking van de gevraagde informatie op grond van de Woo en tot weigering van opheffing van de geheimhouding op een deel van de gevraagde documenten. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 11 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Gemeentewet
Artikel 87 van Pro de Gemeentewet
De raad, het college, de burgemeester en een commissie als bedoeld in hoofdstuk V kunnen op grond van een belang, genoemd in artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Wet open overheid, een verplichting tot geheimhouding opleggen ten aanzien van informatie die bij dat orgaan berust.
Artikel 89, eerste lid, van de Gemeentewet
Een verplichting tot geheimhouding wordt vermeld op het stuk ten aanzien waarvan de geheimhouding geldt. Indien de geheimhouding geldt ten aanzien van informatie anders dan in schriftelijke vorm, wordt de verplichting op een passende wijze kenbaar gemaakt.
Wet open overheid (Woo)
Artikel 4.1, eerste lid, van de Woo
Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek.
Artikel 5.1, tweede lid, van de Woo
Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
b. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handeling met een vertrouwelijk karakter;
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
f. de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens;
i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.
Artikel 5.2, eerste lid, van de WooIn geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter.
Artikel 8.8 van de Woo
De artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 zijn niet van toepassing op informatie waarvoor een bepaling geldt die is opgenomen in de bijlage bij deze wet.
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
Artikel 29 van Pro het Rv
2. Onverminderd de artikelen 231, eerste lid, en 290, derde lid, verstrekt de griffier aan een ieder die dat verlangt afschrift van vonnissen, arresten en beschikkingen, tenzij verstrekking naar het oordeel van de griffier ter bescherming van zwaarwegende belangen van anderen, waaronder die van partijen, geheel of gedeeltelijk dient te worden geweigerd. In het laatste geval kan de griffier volstaan met verstrekking van een geanonimiseerd afschrift of uittreksel van het vonnis, het arrest of de beschikking.
3. Onder vonnissen, arresten en beschikkingen zijn begrepen stukken die bij de uitspraak zijn gevoegd. Van andere tot een procesdossier behorende stukken wordt geen afschrift of uittreksel aan derden verstrekt.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld: Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1497.
2.Artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo.
3.Artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo.
4.Artikel 5.2, eerste lid, van de Woo.
6.Artikel 5.2, eerste lid, van de Woo.
8.Artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo.
9.Artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo.
10.Artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo.
11.Artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo.
12.Artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo.
13.Artikel 5.2, eerste lid, van de Woo.