ECLI:NL:RBZWB:2026:9

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
23/11494
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een naheffingsaanslag Bpm en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Zeeland-West-Brabant het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst, die op 10 november 2023 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) heeft opgelegd van € 2.899. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 behandeld, waarbij mr. M.U. Sahin namens belanghebbende en twee inspecteurs namens de Belastingdienst aanwezig waren.

De rechtbank heeft vastgesteld dat belanghebbende op 11 maart 2022 aangifte heeft gedaan voor de registratie van een Jaguar F-Type P300 RWD en een Bpm van € 14.164 heeft voldaan. De inspecteur heeft een hertaxatie laten uitvoeren, waaruit bleek dat de verschuldigde Bpm € 17.063 zou bedragen. De rechtbank heeft de beroepsgronden van belanghebbende beoordeeld en geconcludeerd dat de naheffingsaanslag terecht was, maar te hoog was vastgesteld. De rechtbank heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 65.517 en de verschuldigde Bpm op € 16.883, waardoor de naheffingsaanslag moest worden verminderd naar € 2.719.

Daarnaast heeft belanghebbende verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn met elf maanden is overschreden en heeft een schadevergoeding van € 1.000 toegewezen, waarvan € 273 voor rekening van de inspecteur en € 727 voor rekening van de Staat. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd, en vergoedingen voor immateriële schade en proceskosten toegewezen aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11494

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 2.899 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2].

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is terecht, maar naar een te hoog bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 11 maart 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Jaguar F-Type P300 RWD met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 14.164. De auto heeft een datum eerste toelating van 8 februari 2022. Daarvoor heeft de auto als demonstratie-auto gediend.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 17.063 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.

Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast en of een waardevermindering wegens schade in aanmerking moet worden genomen.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de historische nieuwprijs € 121.501 bedraagt en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 66.229.
Herleidingsmethode
4.2.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Waardevermindering wegens schade
4.3.
Beide partijen gaan uit van de taxatiemethode. De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 4.885 en deze voor 95% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Verder heeft de taxateur nog een bedrag van € 6.623 in mindering gebracht in verband met een correctie schadeverleden. De hertaxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende aan de hand van het taxatierapport en de foto’s aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade aan het linkervoorportier en op de achterklep van de auto. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto voor de registratie als demonstratie-auto heeft gediend en dat duidelijk zichtbaar is dat er beschadigingen zijn doordat onvoorzichtig met de auto is gereden. De rechtbank neemt een bedrag aan schade in aanmerking van € 837 (inclusief btw) zoals belanghebbende heeft vermeld in de aanvullende gronden van zijn beroepschrift bij de betreffende foto’s. De rechtbank ziet aanleiding om daarvan een waardevermindering van 85% in aanmerking te nemen. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de auto op het moment van de aangifte pas een maand oud was en 9.674 kilometer had gereden. De rechtbank stelt de waardevermindering wegens schade daarom vast op € 712.
4.5.
Een hoger bedrag aan schade dan wel aan waardevermindering wegens schade is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. De waardevermindering wegens een schadeverleden is door belanghebbende niet onderbouwd en dus ook niet aannemelijk gemaakt.
4.6.
Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vast op € 65.517.
Hoogte naheffingsaanslag
4.7.
Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 121.501, een handelsinkoopwaarde van € 65.517 en een bruto Bpm van € 31.310 berekent de rechtbank de verschuldigde Bpm op € 16.883. Belanghebbende heeft een bedrag aan Bpm voldaan van € 14.164 zodat de naheffingsaanslag moet worden verminderd naar € 2.719.
Immateriële schadevergoeding
4.8.
Belanghebbende heeft op 5 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.9.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 16 februari 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 6 januari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond elf maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.000.
4.10.
Omdat de bezwaarfase afgerond negen maanden heeft geduurd en daarmee drie maanden te lang, komt € 273 (3/11e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 727) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 2.719;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 273;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 727;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [2]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.