ECLI:NL:RBZWB:2026:93

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
BRE 24/6059
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid van de rechtbank in belastingzaak met betrekking tot invorderingsmaatregelen

Op 12 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak BRE 24/6059, waarin belanghebbende beroep heeft aangetekend tegen invorderingsmaatregelen van de Belastingdienst. Het beroep, ingediend op 15 augustus 2024, betreft een naheffingsaanslag omzetbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] F.02.2501. De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroep kennelijk onbevoegd is, en heeft daarom zonder zitting uitspraak gedaan op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift verzocht om uitstel van betaling van de naheffingsaanslag en heeft een brief van de Belastingdienst over het geregistreerd inkomen over 2020 bijgevoegd. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat het innen van belastingen tot de taak van de ontvanger behoort en dat de belastingrechter niet bevoegd is om te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de Invorderingswet 1990. Uitzonderingen op deze regel zijn niet van toepassing op de situatie van belanghebbende.

De rechtbank heeft zich daarom onbevoegd verklaard en belanghebbende geadviseerd om zijn verzoek om uitstel van betaling rechtstreeks bij de ontvanger in te dienen. De uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, en mr. W. Dekkers, griffier, en is openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid om verzet aan te tekenen tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6059

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende van 15 augustus 2024. Het beroep gaat over invorderingsmaatregelen genomen in verband met de naheffingsaanslag omzetbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] F.02.2501.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Belanghebbende heeft op 15 augustus 2024 een beroepschrift ingediend met de wens om in verzet te komen tegen de tenuitvoeringlegging van invorderingsmaatregelen en hij verzoekt om uitstel van betaling van de naheffingsaanslag omzetbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] F.02.2501. Belanghebbende heeft een brief toegevoegd van 18 mei 2021, afkomstig van de Belastingdienst, waarop het geregistreerd inkomen over het jaar 2020 te zien is.
2.1
Het innen van belastingen behoort tot de taak van de ontvanger. De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de Invorderingswet 1990. [1] Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. Het uitvoeren van invorderingsmaatregelen en het beoordelen van een verzoek om uitstel van betaling vallen niet onder een van de uitzonderingen. Belanghebbende kan bij de ontvanger zelf verzoeken om uitstel van betaling. Een geschil over het uitvoeren van invorderingsmaatregelen en een beslissing op het verzoek om uitstel van betaling kan worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter.
2.3
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier op 12 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:5 van de Awb en artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt de Invorderingswet 1990 genoemd.