ECLI:NL:RBZWB:2026:94

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
BRE 24/8643
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang bij vervolgingskosten inkomstenbelasting

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de ontvanger van de Belastingdienst inzake in rekening gebrachte vervolgingskosten op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. De ontvanger heeft echter uit coulance de kosten volledig verminderd, waardoor belanghebbende deze niet meer hoeft te betalen.

De rechtbank heeft belanghebbende meerdere malen in de gelegenheid gesteld om het belang van het beroep toe te lichten, maar hier is geen reactie op gekomen. Omdat het beroep geen voor belanghebbende gunstiger resultaat kan opleveren, ontbreekt het aan procesbelang.

Op grond hiervan verklaart de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. Er wordt geen vergoeding van het griffierecht toegekend, aangezien de ontvanger reeds aan het bezwaar tegemoet is gekomen.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang omdat de vervolgingskosten al volledig zijn verminderd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/8643

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 31 december 2024. Het beroep is gericht tegen de in rekening gebrachte vervolgingskosten op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen met aanslagnummer [aanslagnummer] H.06.01.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Belanghebbende komt in beroep tegen de uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 31 december 2024. De ontvanger heeft in de uitspraak op bezwaar laten weten uit coulance de in rekening gebrachte kosten volledig te verminderen. Dit betekent dat belanghebbende de in rekening gebrachte kosten niet hoeft te betalen.
3. De ontvanger heeft op 12 februari 2025 zijn verweerschrift ingediend. De ontvanger stelt dat er volledig aan het verzoek van belanghebbende tegemoet is gekomen.
4. Op 19 februari 2025 en 18 juli 2025 heeft de rechtbank een bericht geplaatst in het digitaal dossier. Belanghebbende is in deze brieven in de gelegenheid gesteld om aan te geven wat het belang is van deze beroepsprocedure. Belanghebbende heeft niet toegelicht wat zijn belang is bij deze beroepsprocedure. Dit volgt ook niet uit zijn beroepschrift.
5. Aangezien de in rekening gebracht kosten al volledig zijn verminderd, kan deze beroepszaak niet meer tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat leiden. [1] Dit betekent dat er geen procesbelang meer is.
6. De rechtbank verklaart daarom het door belanghebbende ingestelde beroep wegens gebrek aan belang kennelijk niet-ontvankelijk. Gelet op het feit dat de ontvanger reeds voor het instellen van beroep aan het bezwaar is tegemoetgekomen, ziet de rechtbank geen aanleiding om het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier op 12 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:43.