ECLI:NL:RBZWB:2026:957

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
25/897
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen betaalherinnering eigen bijdrage Wlz

Eisers ontvingen zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en waren een eigen bijdrage verschuldigd. Het CAK stuurde op 15 mei 2023 een brief met een betaalherinnering over een openstaand saldo. Eisers reageerden met brieven die het CAK als bezwaar tegen deze brief aanmerkte. Het CAK verklaarde het bezwaar op 8 januari 2025 niet-ontvankelijk omdat de betaalherinnering geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is.

Eisers stelden beroep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. Zij voerden aan dat de vordering onjuist was en dat het CAK onjuiste gegevens had verstrekt aan derden, ondanks dat zij betalingsbewijzen hadden overlegd. De rechtbank oordeelde dat een betaalherinnering slechts een informatieve mededeling is en geen besluit met rechtsgevolgen, zoals bevestigd door vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep.

Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en is het beroep ongegrond. Eisers krijgen geen terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter M. Snoeks op 13 februari 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep van eisers wordt ongegrond verklaard omdat de betaalherinnering geen besluit in de zin van de Awb is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/897 WLZ

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers

en

Centraal Administratie Kantoor, het CAK.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar van eisers tegen een betaalherinnering van de eigen bijdrage in het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eisers zijn het hier niet mee eens en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het CAK het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers zijn in verband met door hen ontvangen Wlz-zorg een eigen bijdrage verschuldigd. Met een brief van 15 mei 2023 heeft het CAK eisers geïnformeerd over de hoogte van het openstaande saldo aan te betalen eigen bijdrage. Eisers hebben hierop gereageerd met twee brieven van 8 juni 2024. Het CAK heeft deze brieven aangemerkt als bezwaar tegen de beschikking van 15 mei 2023. Met het bestreden besluit van 8 januari 2025 heeft het CAK het bezwaar van eisers (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en [vertegenwoordiger] namens het CAK deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Standpunt van het CAK
3. Volgens het CAK is het bezwaar van eisers (kennelijk) niet-ontvankelijk. Een betaalherinnering is niet gericht op een rechtsgevolg. Hiermee worden eisers slechts herinnerd dat er nog onbetaalde facturen zijn. Daarom is er geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beroepsgronden
4. Eisers hebben aangevoerd dat de vordering onjuist en ongegrond is. Het CAK heeft onjuiste gegevens verstrekt aan het incassobureau en aan de Sociale Verzekeringsbank. Eisers geven aan diverse betalingsbewijzen overgelegd te hebben, waarmee geen rekening is gehouden door het CAK.
Overwegingen
5. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 7:1 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:1 van Pro de Awb alleen bezwaar kan worden gemaakt tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
5.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [1] is een schriftelijke mededeling over de hoogte van een nog terug te betalen bedrag, waarover in het verleden al besluiten zijn genomen, niet op rechtsgevolg gericht en daarom geen besluit in de zin van de Awb.
5.2.
Met de brief van 15 mei 2023 is door het CAK aan eisers een mededeling gedaan over de in totaal nog te betalen eigen bijdrage. Over de vaststelling van de eigen bijdrage zijn in het verleden reeds besluiten genomen. De brief van 15 mei 2023 is slechts van informatieve aard en niet op rechtsgevolg gericht. Daarom kan deze brief niet aangemerkt worden als een besluit in de zin van de Awb. Dat betekent dat het CAK het bezwaar van eisers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 13 februari 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: wettelijke kader

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3, eerste lid
Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Artikel 7:1, eerste lid
Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij:
a. het besluit in bezwaar of in administratief beroep is genomen,
b. het besluit aan goedkeuring is onderworpen,
c. het besluit een goedkeuring of een weigering daarvan inhoudt,
d. het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4,
e. het besluit is genomen op basis van een uitspraak waarin de bestuursrechter met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onderdeel a, heeft bepaald dat afdeling 3.4 geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft,
f. het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit,
g. het besluit is genomen op grond van een voorschrift als genoemd in de bij deze wet behorende Regeling rechtstreeks beroep dan wel het besluit anderszins in die regeling is omschreven.
Artikel 8:1
Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:331.