ECLI:NL:RBZWB:2026:967

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
26/898
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening schorsing sluiting woning op grond van Opiumwet

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de burgemeester van de gemeente Tholen om zijn huurwoning te sluiten voor een periode van drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De burgemeester handhaafde dit besluit in de beslissing op bezwaar van 30 december 2025.

Verzoeker diende op 6 februari 2026 een beroepschrift in en op 12 februari 2026 een verzoek om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb besloten geen zitting te houden vanwege de spoedeisendheid.

De burgemeester was niet bereid het besluit op te schorten. De voorzieningenrechter oordeelde dat op korte termijn geen weloverwogen oordeel kon worden gegeven en schorst daarom het bestreden besluit bij wijze van ordemaatregel tot vier weken na verzending van deze tussenuitspraak. De zaak wordt spoedig op zitting behandeld zodra het volledige procesdossier is aangeleverd.

Uitkomst: De voorzieningenrechter schorst de sluiting van de woning voorlopig tot vier weken na verzending van de tussenuitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/898 VV
tussenuitspraak van de voorzieningenrechter van 13 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. A.M.M. de Waal),
en

de burgemeester van de gemeente Tholen, verweerder.

Inleiding

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 30 december 2025 (bestreden besluit) waarmee de burgemeester het bezwaar van verzoeker ongegrond heeft verklaard. Dit bezwaar was gericht tegen het besluit van de burgemeester van 25 juli 2025 over de sluiting van zijn huurwoning voor een periode van drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoeker is het niet eens met deze sluiting en heeft op 6 februari 2026 een beroepschrift ingediend en op 12 februari 2026 een verzoek om een voorlopige voorziening.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De burgemeester heeft op 25 juli 2025 het besluit genomen om de huurwoning van verzoeker te sluiten. De voorzieningenrechter heeft dit besluit geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar in een uitspraak van 2 september 2025. [1] In de beslissing op bezwaar (verzonden op 31 december 2025) heeft de burgemeester de woningsluiting in stand gelaten. In een brief (verzonden op 20 januari 2026) heeft de burgemeester aangekondigd dat de sluiting zal ingaan op 16 februari 2026 om 12:00 uur. Verzoeker heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 februari 2026 ingediend bij de rechtbank. De rechtbank heeft na ontvangst van het verzoek contact opgenomen met de burgemeester met de vraag of de burgemeester bereid is om het besluit op te schorten. De burgemeester was daar niet toe bereid.
3. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter op deze korte termijn niet in staat om voor het ingaan van de woningsluiting een weloverwogen oordeel te geven over het verzoek om een voorlopige voorziening. Gelet daarop en gelet op de betrokken belangen zal de voorzieningenrechter (de werking van) het bestreden besluit bij wijze van ordemaatregel schorsen tot vier weken na verzending van deze tussenuitspraak. Aan het belang van de burgemeester wordt tegemoetgekomen door het verzoek zo spoedig mogelijk op zitting te plannen. Daartoe moet eerst een volledig procesdossier worden aangeleverd door de burgemeester. Deze ordemaatregel heeft een voorlopig karakter en de voorzieningenrechter is daar in de verdere procedure niet aan gebonden.

Beslissing

De voorzieningenrechter schorst bij wijze van ordemaatregel het bestreden besluit van 30 december 2025 tot vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier, op 13 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Zeeland-West-Brabant 2 september 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5896.