In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 12 januari 2026, wordt het beroep van een belanghebbende uit Duitsland behandeld tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 9 december 2022. Dit betreft een definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2020, alsook een dwangbevel tot betaling van de ontvanger van 11 januari 2023. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat de belanghebbende al eerder tegen de definitieve aanslag heeft geprocedeerd. De rechtbank heeft het beroepschrift op 24 juni 2023 ontvangen, maar dit is later door de belanghebbende ingetrokken. De rechtbank bevestigt dat deze intrekking rechtsgeldig was en dat het niet mogelijk is om de procedure opnieuw te openen.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat zij niet bevoegd is om te oordelen over het dwangbevel, aangezien dit niet onder de uitzonderingen valt die in de regelgeving zijn gemaakt. De rechtbank kan wel oordelen over de in rekening gebrachte kosten, maar begrijpt dat het dwangbevel en de kosten al zijn vernietigd. Hierdoor kan de belanghebbende in deze procedure niet in een betere positie komen. De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor het beroep dat ziet op het dwangbevel en de terugbetaling van betaalde bedragen, en verklaart het beroep voor het overige niet-ontvankelijk. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.