ECLI:NL:RBZWB:2026:97

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
BRE 24/3927
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen definitieve aanslag inkomstenbelasting en dwangbevel door belanghebbende uit Duitsland

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 12 januari 2026, wordt het beroep van een belanghebbende uit Duitsland behandeld tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 9 december 2022. Dit betreft een definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2020, alsook een dwangbevel tot betaling van de ontvanger van 11 januari 2023. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat de belanghebbende al eerder tegen de definitieve aanslag heeft geprocedeerd. De rechtbank heeft het beroepschrift op 24 juni 2023 ontvangen, maar dit is later door de belanghebbende ingetrokken. De rechtbank bevestigt dat deze intrekking rechtsgeldig was en dat het niet mogelijk is om de procedure opnieuw te openen.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat zij niet bevoegd is om te oordelen over het dwangbevel, aangezien dit niet onder de uitzonderingen valt die in de regelgeving zijn gemaakt. De rechtbank kan wel oordelen over de in rekening gebrachte kosten, maar begrijpt dat het dwangbevel en de kosten al zijn vernietigd. Hierdoor kan de belanghebbende in deze procedure niet in een betere positie komen. De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor het beroep dat ziet op het dwangbevel en de terugbetaling van betaalde bedragen, en verklaart het beroep voor het overige niet-ontvankelijk. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/3927

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] (Duitsland), belanghebbende

en

de inspecteur en ontvanger van de Belastingdienst, de inspecteur/de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 9 december 2022 gericht tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2020 met aanslagnummer [aanslagnummer 1] H.06.01 en het dwangbevel tot betaling van de ontvanger van 11 januari 2023 ten aanzien van de voorlopige aanslag IB/PVV 2020 met aanslagnummer [aanslagnummer 2] H.00.02.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

Beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 9 december 2022
2. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende al eerder tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2020 met aanslagnummer [aanslagnummer 1] H.06.01 heeft geprocedeerd. Het beroepschrift is op 24 juni 2023 door de rechtbank ontvangen en geregistreerd onder zaaknummer BRE 23 / 3406. Op 28 september 2023 heeft de rechtbank een intrekking ontvangen ondertekend door belanghebbende, waarna de zaak is ingetrokken en dit aan partijen is bevestigd.
3. Belanghebbende verzoekt om de eerdere procedure te heropenen omdat het overleg met de Belastingdienst niet heeft opgeleverd wat zij had gehoopt. Zij stelt dat deze procedure niet door een bevoegd persoon is ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat het beroep met zaaknummer 23 / 3406 rechtsgeldig is ingetrokken. Belanghebbende was daartoe bevoegd. Het is dan niet mogelijk om die procedure weer te heropenen. Het is ook niet mogelijk om voor de tweede keer een beroepsprocedure te starten nadat al een hele rechtsgang is doorlopen. [1] De wettelijke regeling biedt geen ruimte om twee keer beroep in te stellen. Het beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 9 december 2022 is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Beroep gericht tegen het dwangbevel ten aanzien van de voorlopige aanslag IB/PVV 2020
4. Belanghebbende is het niet eens met het dwangbevel van 11 januari 2023 en het handelen van de ontvanger. De rechtbank stelt voorop dat zij als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de Invorderingswet 1990. [2] Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt.
5. Of terecht een dwangbevel is opgelegd behoort niet tot een van die uitzonderingen. De rechtbank is daarom onbevoegd om daarover te oordelen. De rechtbank is wel bevoegd om over de in rekening gebrachte kosten te oordelen. De rechtbank begrijpt echter dat het dwangbevel en de daarbij in rekening gebrachte kosten al zijn vernietigd. Deze beroepsprocedure kan belanghebbende in zoverre dus niet in een betere positie brengen. Het beroep is daarom in zoverre niet-ontvankelijk.
6. De rechtbank overweegt dat de vernietiging van het dwangbevel niet leidt tot vernietiging van de voorlopige aanslag IB/PVV 2020 zelf. Die aanslag en het bedrag aan belasting dat daarop moet worden betaald, blijven bestaan. Belanghebbende eist in haar beroepschrift om het bedrag van € 3922,00 terug te storten. Dit betreft een betaling die belanghebbende heeft gedaan op de voorlopige aanslag IB/PVV 2020 met aanslagnummer [aanslagnummer 2] H.00.02. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende het niet eens is met de beslissing van de ontvanger om dit bedrag niet terug te betalen. De rechtbank is niet bevoegd te oordelen over een geschil over terugbetaling van bedragen. Dit geldt ook voor de overige beslissingen van de ontvanger die belanghebbende in haar stukken heeft genoemd. Belanghebbende dient zich hiervoor te wenden naar de civiele rechter. De rechtbank verklaart zich in zoverre onbevoegd.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep ziet op het dwangbevel en de terugbetaling van betaalde bedragen op de voorlopige aanslag IB/PVV 2020;
  • verklaart het beroep voor het overige niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier op 12 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Uitspraak rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 maart 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:1461 en uitspraak Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 28 september 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3287.
2.Dit volgt uit artikel 8:5 van de Awb en artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt de Invorderingswet 1990 genoemd.