ECLI:NL:RBZWB:2026:97

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
BRE 24/3927
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:5 AwbArt. 8:54 AwbArt. 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraakInvorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens eerdere intrekking en onbevoegdheid inzake dwangbevel en terugbetaling belasting

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2020 en tegen een dwangbevel tot betaling van de voorlopige aanslag. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende al eerder tegen dezelfde definitieve aanslag heeft geprocedeerd onder zaaknummer BRE 23/3406, welke procedure rechtsgeldig is ingetrokken door belanghebbende zelf. Hierdoor is heropening van die procedure niet mogelijk en is het huidige beroep kennelijk niet-ontvankelijk.

Daarnaast is de rechtbank onbevoegd om te oordelen over het dwangbevel en de terugbetaling van betaalde bedragen, omdat deze besluiten onder de Invorderingswet 1990 vallen en hiervoor geen uitzondering op de bevoegdheid van de bestuursrechter geldt. De rechtbank begrijpt dat het dwangbevel en de kosten inmiddels zijn vernietigd, waardoor het beroep hierover geen verbetering kan brengen.

Belanghebbende eist ook terugbetaling van een bedrag van € 3.922,00 betaald op de voorlopige aanslag. De rechtbank is niet bevoegd om hierover te oordelen en verwijst belanghebbende naar de civiele rechter. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd voor zover het beroep ziet op het dwangbevel en de terugbetaling, en niet-ontvankelijk voor het overige.

De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro en is openbaar gemaakt op 12 januari 2026. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk wegens eerdere intrekking en de rechtbank is onbevoegd voor het dwangbevel en terugbetaling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/3927

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] (Duitsland), belanghebbende

en

de inspecteur en ontvanger van de Belastingdienst, de inspecteur/de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 9 december 2022 gericht tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2020 met aanslagnummer [aanslagnummer 1] H.06.01 en het dwangbevel tot betaling van de ontvanger van 11 januari 2023 ten aanzien van de voorlopige aanslag IB/PVV 2020 met aanslagnummer [aanslagnummer 2] H.00.02.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

Beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 9 december 2022
2. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende al eerder tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2020 met aanslagnummer [aanslagnummer 1] H.06.01 heeft geprocedeerd. Het beroepschrift is op 24 juni 2023 door de rechtbank ontvangen en geregistreerd onder zaaknummer BRE 23 / 3406. Op 28 september 2023 heeft de rechtbank een intrekking ontvangen ondertekend door belanghebbende, waarna de zaak is ingetrokken en dit aan partijen is bevestigd.
3. Belanghebbende verzoekt om de eerdere procedure te heropenen omdat het overleg met de Belastingdienst niet heeft opgeleverd wat zij had gehoopt. Zij stelt dat deze procedure niet door een bevoegd persoon is ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat het beroep met zaaknummer 23 / 3406 rechtsgeldig is ingetrokken. Belanghebbende was daartoe bevoegd. Het is dan niet mogelijk om die procedure weer te heropenen. Het is ook niet mogelijk om voor de tweede keer een beroepsprocedure te starten nadat al een hele rechtsgang is doorlopen. [1] De wettelijke regeling biedt geen ruimte om twee keer beroep in te stellen. Het beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 9 december 2022 is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Beroep gericht tegen het dwangbevel ten aanzien van de voorlopige aanslag IB/PVV 2020
4. Belanghebbende is het niet eens met het dwangbevel van 11 januari 2023 en het handelen van de ontvanger. De rechtbank stelt voorop dat zij als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de Invorderingswet 1990. [2] Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt.
5. Of terecht een dwangbevel is opgelegd behoort niet tot een van die uitzonderingen. De rechtbank is daarom onbevoegd om daarover te oordelen. De rechtbank is wel bevoegd om over de in rekening gebrachte kosten te oordelen. De rechtbank begrijpt echter dat het dwangbevel en de daarbij in rekening gebrachte kosten al zijn vernietigd. Deze beroepsprocedure kan belanghebbende in zoverre dus niet in een betere positie brengen. Het beroep is daarom in zoverre niet-ontvankelijk.
6. De rechtbank overweegt dat de vernietiging van het dwangbevel niet leidt tot vernietiging van de voorlopige aanslag IB/PVV 2020 zelf. Die aanslag en het bedrag aan belasting dat daarop moet worden betaald, blijven bestaan. Belanghebbende eist in haar beroepschrift om het bedrag van € 3922,00 terug te storten. Dit betreft een betaling die belanghebbende heeft gedaan op de voorlopige aanslag IB/PVV 2020 met aanslagnummer [aanslagnummer 2] H.00.02. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende het niet eens is met de beslissing van de ontvanger om dit bedrag niet terug te betalen. De rechtbank is niet bevoegd te oordelen over een geschil over terugbetaling van bedragen. Dit geldt ook voor de overige beslissingen van de ontvanger die belanghebbende in haar stukken heeft genoemd. Belanghebbende dient zich hiervoor te wenden naar de civiele rechter. De rechtbank verklaart zich in zoverre onbevoegd.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep ziet op het dwangbevel en de terugbetaling van betaalde bedragen op de voorlopige aanslag IB/PVV 2020;
  • verklaart het beroep voor het overige niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier op 12 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Uitspraak rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 maart 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:1461 en uitspraak Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 28 september 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3287.
2.Dit volgt uit artikel 8:5 van Pro de Awb en artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt Pro de Invorderingswet 1990 genoemd.