ECLI:NL:RVS:1995:AD3487
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om naturalisatie aangehouden wegens openstaande strafzaak; beroep verworpen
Appellante, van buitenlandse nationaliteit, verzocht om verlening van het Nederlanderschap. Verweerder, de Staatssecretaris van Justitie, besloot het verzoek aan te houden omdat tegen appellante een strafzaak liep wegens verdenking van valsheid in geschrifte. Appellante stelde dat zij geen gevaar vormde voor de openbare orde en dat het besluit in strijd was met artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het aanhouden van het verzoek niet in strijd is met het Verdrag, aangezien het niet een oordeel inhoudt over schuld. Tevens is het aanhouden van het verzoek toegestaan op grond van artikel 9 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap bij ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde.
Verder stelde de Afdeling vast dat verweerder terecht van het horen van appellante is afgezien omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond was. Het beroep van appellante werd verworpen omdat het bestreden besluit niet op andere gronden vernietigd kon worden. Er was geen aanleiding voor toepassing van proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt verworpen en het besluit tot aanhouding van het verzoek om naturalisatie wordt bevestigd.