ECLI:NL:RVS:1999:AD4906
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling draagkracht bij toevoeging rechtsbijstand in echtscheidingsprocedure
De zaak betreft een geschil over de toekenning van een definitieve toevoeging voor rechtsbijstand in een echtscheidingsprocedure. De Raad van State behandelt de vraag op welk moment de financiële draagkracht van de verzoeker moet worden vastgesteld en hoe de vermogensgrenzen en vrijstellingen daarbij moeten worden toegepast.
De rechtbank had geoordeeld dat de draagkracht alleen na beëindiging van de rechtsbijstand beoordeeld moet worden en dat de vrijstelling van ƒ 75.000,-- voor de eigen woning gedeeltelijk toegepast moest worden. De Raad van State stelt echter dat er twee peilmomenten zijn: het moment van verzoek om toevoeging en het moment na beëindiging van de rechtsbijstand. Tevens oordeelt de Raad dat na beëindiging van de rechtsbijstand, indien het vermogen de grens overschrijdt, geen definitieve toevoeging wordt verleend.
In deze zaak had de bezwaarde na beëindiging van de rechtsbijstand een bedrag ontvangen dat het toegestane vermogen overschreed, waardoor de toevoeging niet definitief kon worden omgezet. De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de bezwaarde alsnog ongegrond. Er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep van de bezwaarde wordt ongegrond verklaard en de voorwaardelijke toevoeging wordt niet omgezet in een definitieve toevoeging.