ECLI:NL:RVS:2000:AA4611

Raad van State

Datum uitspraak
10 januari 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
H01.98.0510
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.C.K.W. Bartel
  • J. de Koning
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 3 BhpArt. 9 Huurprijzenwet woonruimte
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurprijsbeschikking niet-ontvankelijk verklaard onterecht wegens verkeerde kennisgeving aan verhuurster

Appellante, verhuurster van woningen in Amsterdam, maakte bezwaar tegen een huurprijsbeschikking van de staatssecretaris. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de beschikking volgens hem niet aan appellante was gericht, maar alleen aan de gemeenteraad van Amsterdam was gezonden.

De rechtbank bevestigde deze niet-ontvankelijkverklaring, stellende dat het besluit niet aan appellante was gericht in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellante ging in hoger beroep bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris de beschikking ook aan appellante als aanvrager had moeten toezenden, omdat zij de verhuurster is en de financiële relatie met de huurders betreft. De beschikking werd pas op 30 augustus 1996 aan appellante toegezonden, waardoor de bezwaartermijn pas daarna begon te lopen. Het bezwaar was daardoor ontvankelijk.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, en droeg de staatssecretaris op een nieuw besluit te nemen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en betaalde rechten.

Uitkomst: Het bezwaar van de verhuurster is ontvankelijk verklaard en het besluit van de staatssecretaris vernietigd.

Uitspraak

Raad van State
H01.98.0510.
Datum uitspraak: 10 JAN. 2000
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Field Willow Real Estate B.V. te Amsterdam appellante
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 18 februari 1998 in het geding tussen:
appellante
en
de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
1 Procesverloop
Bij besluit van 11 december 1995 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de staatssecretaris) met toepassing van artikel 9 van Pro de Huurprijzenwet Woonruimte de huurprijzen vastgesteld van nader in een bijlage genoemde woningen aan de Van Boetzelaerstraat, Van Hallstraat en Van Beuningenstraat te Amsterdam.
Tegen dit besluit heeft appellante op 10 oktober 1996 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 19 november 1996 heeft de staatssecretaris appellante in haar bezwaren niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 18 februari 1998, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 3 maart 1998, bij de Raad van State ingekomen op 5 maart 1998, hoger beroep ingesteld. De brief is aangehecht.
Bij brief van 4 maart 1999 heeft de staatssecretaris een memorie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juli 1999, waar appellante, vertegenwoordigd door mr P.J. Sandberg, advocaat te Amsterdam en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door J.M. Felkers zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt. Artikel 6:8, eerste lid, Awb bepaalt dat de termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 3:41 Awb Pro - zoals deze bepaling destijds luidde - geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
2.2. Niet in geschil is dat appellante, eigenares en verhuurster van de eerdergenoemde panden, belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. 2.3. Het geschil betreft een zogeheten Huurprijsbeschikking van de staatssecretaris gedateerd 11 december 1995, die hij heeft genomen op grond van artikel 9 van Pro de Huurprijzenwet woonruimte (oud) en op grond van artikel 3, eerste, derde en vijfde lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte (oud) (Bhp), welke artikelen met ingang van 1 juli 1996 zijn vervallen. Als onbetwist geldt dat de staatssecretaris de Huurprijsbeschikking op 11 december 1995 uitsluitend naar de raad van de gemeente Amsterdam heeft gezonden. 2.4. Artikel 3 Bhp Pro bepaalde destijds, voor zover hier van belang, dat de minister de huurprijs van woonruimte die met geldelijke steun op voet van de Woningwet ingrijpend wordt verbeterd, vaststelt op het bedrag dat door de verhuurder als huurprijs aan de minister is voorgesteld, nadat de raad van de gemeente waarin de woonruimte is gelegen de minister, op een door hem vast te stellen formulier, in kennis heeft gesteld van die voorgestelde huurprijs, een verklaring van de gemeente dat de verbetering ingrijpend is en de in punten uitgedrukte kwaliteit van de woonruimte na de verbetering. 2.4.1. De rechtbank leidt uit de systematiek van genoemde artikelen, waarbij, zoals de rechtbank stelt, de "loketfunctie" van de gemeente(raad) in het Bhp is neergelegd, af dat het besluit tot vaststelling van de huurprijs niet tot appellante is gericht als bedoeld in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb. Aan de hand van de memorie van toelichting (MvT, PG Awb 1, p 230) overweegt de rechtbank dat slechts die belanghebbende wordt bedoeld die als geadresseerde van het besluit is te beschouwen. Appellante is, naar het kennelijke oordeel van de rechtbank, niet de geadresseerde als even bedoeld.
2.5. De Afdeling kan de rechtbank hierin niet volgen. Zoals de staatssecretaris heeft weergegeven in zijn memorie van 26 februari 1997 gericht aan de rechtbank, wordt, gelet op artikel 3 Bhp Pro, het voorstel van de verhuurder ingediend bij de gemeente die dit voorstel met de benodigde verklaringen doorzendt aan de minister. Verder heeft de staatssecretaris gesteld dat gezien deze verdeling van de verantwoordelijkheden voor de huurprijsvaststelling, het huurprijsvaststellingsbesluit aan de betrokken gemeente wordt gestuurd ter bevestiging van het door verhuurder en gemeente in - door de staatssecretaris vooronderstelde - gezamenlijkheid ingediende voorstel. Naar het oordeel van de Afdeling is niet de gemeente doch appellante in haar hoedanigheid van verhuurster, de aanvrager. Het gaat immers om het nader vaststellen door de minister van de tussen de verhuurster en huurders geldende financiële relatie, te weten de door de verhuurster aan de huurders te vragen huursom. Deze aanvrager heeft de tussenkomst van de gemeente uitsluitend nodig om de aanvraag om huurprijssvaststelling met de volgens het Besluit benodigde gegevens en die in de macht liggen van de gemeenteraad, te doen ondersteunen. Hieruit volgt dat de staatssecretaris de Huurprijsbeschikking ingevolge artikel 3:41 Awb Pro (ook) aan appellante als aanvraagster had dienen toe te zenden. Nu de Huurprijsbeschikking door tussenkomst van de gemeente Amsterdam op 30 augustus 1996 aan appellante is toegezonden, moet ervan worden uitgegaan dat de staatssecretaris ten aanzien van appellante eerst op die datum toepassing heeft gegeven aan artikel 3:41 Awb Pro en dat de termijn als bedoeld in artikel 6:8, eerste lid, Awb, is ingegaan op 31 augustus 1996. Gelet op de datum van binnenkomst van het bezwaarschrift per fax van 10 oktober 1996, is het bezwaar ontvankelijk.
2.6- Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van appellante alsnog gegrond verklaren en het besluit van de staatssecretaris van 19 november 1996 alsnog vernietigen.
2.7. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te
Amsterdam van 18 februari 1998, reg. nr. AWB 96114617 WET 21;
III verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 19 november 1996, kenmerk COR/96507472;
V. draagt de staatssecretaris op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;
VI. veroordeelt de staatssecretaris in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte kosten tot een bedrag van f 2.840,--; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) te worden betaald aan appellante;
VII. g2last dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellante het door haar in beroep en hoger beroep gestorte recht (in totaal f 1.030,--) vergoedt.
Aldus vastgesteld door dr J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr J. de Koning, ambtenaar van Staat.
w.g. Bartel w.g. De Koning
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 jan 2000.
45-221.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,