ECLI:NL:RVS:2000:AA7146
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.K.W. Bartel
- M.G. Tuinhout
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging rechtsbijstand voor niet langer uitgeoefend zelfstandig beroep
Appellant verzocht om een toevoeging voor rechtsbijstand in verband met een vordering tot schadevergoeding wegens inbreuk op het genot van een gehuurde bedrijfsruimte, gerelateerd aan zijn voormalige bedrijfsuitoefening.
De Raad voor rechtsbijstand wees het verzoek af omdat het rechtsbelang voortvloeit uit een niet langer uitgeoefend zelfstandig beroep of bedrijf, en appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn bedrijfsactiviteiten zou hervatten. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep bevestigde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze beslissing. Zij oordeelde dat artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) ook ziet op rechtsbelangen die voortvloeien uit een beëindigd zelfstandig beroep of bedrijf, tenzij voortzetting daarvan afhankelijk is van het resultaat van de gevraagde rechtsbijstand.
Omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn bedrijf zou hervatten, was er geen grond voor toevoeging. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de toevoeging bevestigd.