ECLI:NL:RVS:2001:AB1450
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A.E. van der Does
- F.P. Zwart
- E.A. Alkema
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek wegens openbare orde ondanks lange periode tussen delict en strafuitvoering
De zaak betreft het hoger beroep van de Staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank Utrecht die het beroep van A tegen de afwijzing van zijn naturalisatieverzoek gegrond had verklaard. A was veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar wegens overtreding van de Opiumwet, gepleegd in maart 1991. De straf werd uitgevoerd van september 1995 tot januari 1996.
De Staatssecretaris had het verzoek afgewezen op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, waarbij wordt gekeken naar een vierjaren-termijn die begint te lopen vanaf de onherroepelijke veroordeling of invrijheidstelling. De rechtbank oordeelde dat vanwege de lange periode tussen het delict en de strafuitvoering en het feit dat A daarna bijna zeven jaar zonder incidenten in vrijheid had doorgebracht, van de richtlijn moest worden afgeweken en het verzoek niet geweigerd mocht worden.
De Raad van State oordeelde dat de richtlijn dat de termijn begint bij invrijheidstelling in dit geval niet onaanvaardbaar is en dat de periode van viereneenhalf jaar tussen delict en strafuitvoering niet zodanig lang was dat afwijking gerechtvaardigd was. Daarbij werd meegewogen dat A zelf uitstel van strafuitvoering had gevraagd. De rechtbank had ten onrechte te veel gewicht toegekend aan de periode tussen delict en beslissing op bezwaar.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van A ongegrond, waarmee de afwijzing van het naturalisatieverzoek werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het naturalisatieverzoek van A wordt afgewezen vanwege ernstige vermoedens dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, conform de richtlijnen van de Rijkswet op het Nederlanderschap.