ECLI:NL:RVS:2001:AF6037
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- M. Vlasblom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na overdracht aan Duitsland op grond van Dublinovereenkomst
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel in Nederland, maar deze werd afgewezen omdat hij eerst een asielverzoek in Duitsland had ingediend. Op grond van artikel 8 van Pro de Overeenkomst van Dublin is Duitsland verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde dat Nederland niet verplicht is de aanvraag in behandeling te nemen zolang Duitsland als verantwoordelijke lidstaat optreedt. Appellant stelde dat Nederland de aanvraag toch moest behandelen vanwege verschillen in de interpretatie van het Vluchtelingenverdrag tussen Nederland en Duitsland, maar de Raad van State oordeelde dat artikel 3, vierde lid, van de Dublinovereenkomst dit niet verplicht.
Verder heeft appellant onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen jegens hem niet zal nakomen. De Raad van State bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning en verklaart het hoger beroep ongegrond.