ECLI:NL:RVS:2002:AE1108

Raad van State

Datum uitspraak
25 januari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200106336/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging inbewaringstelling wegens ongewenstverklaring in vreemdelingenrecht

Appellant is op 7 december 2001 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van een ongewenstverklaring volgens artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het tegen deze bewaring ingestelde beroep ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State en voerde aan dat de rechtbank ten onrechte voorbij was gegaan aan bijzondere omstandigheden die een lichter middel rechtvaardigen.

De Raad van State overwoog dat de rechtbank terecht was uitgegaan van de ongewenstverklaring als een gegeven dat volgens het beleid van de staatssecretaris de noodzaak tot inbewaringstelling meebrengt. Het bezwaar tegen de ongewenstverklaring en het verzoek om voorlopige voorziening hadden geen schorsende werking, waardoor geen bijzondere omstandigheden waren die een lichter middel rechtvaardigen.

Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 25 januari 2002.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de inbewaringstelling van appellant wegens ongewenstverklaring en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

Raad
van State
200106336/1.
Datum uitspraak: 25 januari 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's?Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 19 december 2001 in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 7 december 2001 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 19 december 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, (hierna: de rechtbank) het met een kennisgeving vanwege de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) daartegen aanhangig gemaakte beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 27 december 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 8 januari 2002 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. De enige grief richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat in redelijkheid in het belang van de openbare orde, als bedoeld in artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, tot bewaring kon worden overgegaan omdat appellant ongewenst is verklaard. Ten onrechte is de rechtbank voorbij gegaan aan de bijzondere omstandigheden die in dit geval maken dat met een lichter middel kon worden volstaan, aldus appellant.
2.2. De grief faalt. De rechtbank is bij haar oordeel terecht uitgegaan van de ongewenstverklaring van appellant als een gegeven dat blijkens het beleid van de staatssecretaris leidt tot de noodzaak tot inbewaringstelling. Het bezwaar tegen de ongewenstverklaring van appellant alsmede het ter zake gedane verzoek om voorlopige voorziening hebben geen schorsende werking, zodat hierin geen bijzondere omstandigheden zijn gelegen die nopen tot het hanteren van een lichter middel van toezicht.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.
w.g. Claessens w.g. Glerum
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2002
273-343.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,