ECLI:NL:RVS:2002:AE1115
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
- T.M.A. Claessens
- P.A. Offers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling moment van verblijfseis bij naturalisatieverzoek volgens Rijkswet op het Nederlanderschap
De zaak betreft een hoger beroep van de Staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de arrondissementsrechtbank Amsterdam die het bezwaar van een verzoeker tegen de afwijzing van zijn naturalisatieverzoek gegrond verklaarde. De kern van het geschil is de uitleg van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, die bepaalt dat een verzoeker ten minste vijf jaar ononderbroken in Nederland moet hebben verbleven voorafgaand aan het verzoek om naturalisatie.
De Staatssecretaris stelde dat het moment van de beslissing op het verzoek bepalend is voor de beoordeling van het verblijf, en dat een periode van verblijf in het buitenland na het verzoek tot afwijzing moet leiden. De rechtbank oordeelde echter dat het moment van het verzoek bepalend is, en dat de verblijfseis niet opnieuw kan worden getoetst op het moment van de beslissing of het bezwaar.
De Raad van State bevestigt dit oordeel en wijst het beroep af. De parlementaire geschiedenis en de Algemene wet bestuursrecht (artikel 7:11) bieden geen grond om af te wijken van het oordeel dat het beoordelingsmoment het tijdstip van het verzoek is. De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.