Art. 40 WoningwetArt. 42 WoningwetArt. 44 WoningwetArt. 18a Wet op de Ruimtelijke OrdeningArt. 2 Besluit meldingplichtige bouwwerken
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering bouwvergunning voor tuinhuis wegens ontbreken melding en strijd met bestemmingsplan
Appellant verzocht om een bouwvergunning voor het plaatsen van een tuinhuis op een perceel, maar had vooraf geen melding gedaan zoals vereist volgens artikel 42 vanPro de Woningwet. Burgemeester en wethouders weigerden de vergunning omdat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan “Lingemeer 1997”.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigt dit oordeel. De Afdeling oordeelde dat zonder voorafgaande melding geen bouwvergunning kan worden verleend en dat de fictieve akkoordverklaring niet is ontstaan. Daarnaast is het beleid van burgemeester en wethouders om geen vrijstaande gebouwen bij vakantiewoningen toe te staan vanwege het landelijke karakter van het park niet onredelijk.
Appellant voerde aan dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom geen vrijstelling werd verleend op grond van artikel 18a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, maar dit werd verworpen omdat het beleid terughoudend is en appellant geen zwaarwegende omstandigheden had aangevoerd. De Afdeling ziet geen reden om de uitspraak te vernietigen en bevestigt de weigering van de bouwvergunning.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de bouwvergunning wegens ontbreken van melding en strijd met het bestemmingsplan.
Uitspraak
200101748/1.
Datum uitspraak: 17 april 2002.
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant]
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 2 maart 2001 in het geding tussen:
appellant
en
burgemeester en wethouders van Buren.
1. Procesverloop
Bij besluit van 25 augustus 1999 hebben burgemeester en wethouders van Buren (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd appellant vergunning te verlenen voor de bouw van een tuinhuis op het perceel [locatie].
Bij besluit van 4 januari 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften van 24 november 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 2 maart 2001, verzonden op die dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 9 april 2001, bij de Raad van State ingekomen op 11 april 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 mei 2001. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 1 oktober 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2001, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door P.H. Speé, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van een melding als bedoeld in artikel 42 vanPro de Woningwet. Dit betoog faalt.
2.1.1. Ingevolge artikel 42, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is, in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het bouwen van bij het Besluit meldingplichtige bouwwerken aangegeven bouwwerken, mits - voor zover hier van belang - het voornemen tot het bouwen van een dergelijk bouwwerk schriftelijk bij burgemeester en wethouders is gemeld en burgemeester en wethouders binnen een maand na de dag waarop zij de melding hebben ontvangen schriftelijk aan de melder hebben medegedeeld dat het gemelde een meldingplichtig bouwwerk is en dat bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
Niet in geschil is, en ook de Afdeling gaat er vanuit, dat het onderhavige tuinhuis in beginsel is aan te merken als een bouwwerk als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit meldingplichtige bouwwerken. Appellant heeft bij burgemeester en wethouders echter geen melding gedaan van zijn voornemen om het tuinhuis te plaatsen, doch na het bouwen om een bouwvergunning verzocht. Zoals de Afdeling in de zaak met nummer H01.97.1370 (gepubliceerd in Bouwrecht 1999, blz. 501) heeft overwogen laat artikel 42 vanPro de Woningwet geen ruimte voor het nemen van een beslissing door burgemeester en wethouders ingevolge dit artikel indien niet eerst een bouwwerk op de voorgeschreven wijze is gemeld. Evenmin staat deze bepaling een ambtshalve conversie van een aanvraag om bouwvergunning naar een melding toe. Hieruit volgt dat een fictieve akkoordverklaring als bedoeld in artikel 42, zesde lid, van de Woningwet, nu daaraan geen melding ten grondslag ligt, niet is ontstaan. Voorts volgt uit artikel 42 datPro, nu vooraf noch achteraf is gemeld, het verbod van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, om te bouwen zonder bouwvergunning, onverminderd geldt, zodat een bouwvergunning is vereist.
Niet in geschil is, en ook de Afdeling gaat er vanuit, dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Lingemeer 1997”, zodat burgemeester en wethouders gelet op het bepaalde in artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet de bouwvergunning moesten weigeren. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot hetzelfde oordeel gekomen.
2.2. Appellant betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat burgemeester en wethouders voldoende hebben gemotiveerd waarom zij niet bereid zijn om met toepassing van artikel 18a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dat luidde ten tijde van de indiening van de aanvraag, vrijstelling en bouwvergunning voor het bouwplan te verlenen.
Dit betoog faalt. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting voeren burgemeester en wethouders het beleid dat bij vakantiewoningen geen vrijstaande gebouwen mogen worden opgericht omdat die afbreuk kunnen doen aan het landelijke karakter en daarmee aan de beoogde recreatieve waarde van het vakantiebungalowpark. In verband hiermee wordt artikel 18a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in deze gevallen zeer terughoudend toegepast.
Dit beleid komt de Afdeling niet onredelijk voor. Appellant heeft geen zwaarwegende omstandigheden aangevoerd die leiden tot het oordeel dat burgemeester en wethouders in dit geval niet in redelijkheid hebben kunnen weigeren de vrijstelling te verlenen. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot hetzelfde oordeel gekomen.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Bastein, ambtenaar van Staat.