ECLI:NL:RVS:2002:AE1837
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- Th.G. Drupsteen
- M. Oosting
- J.G.C. Wiebenga
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vergunning tijdelijke grondwateronttrekking voor bergbezinkbassin
De zaak betreft een beroep van appellante tegen een vergunning verleend door gedeputeerde staten van Limburg voor het tijdelijk onttrekken van grondwater ten behoeve van de aanleg van een bergbezinkbassin. Appellante stelde dat de prognose van de onttrekking onzekerheden bevat en dat de werkelijke onttrekking de vergunde hoeveelheid zou kunnen overschrijden, wat tot zettingsschade zou kunnen leiden.
De Raad van State overwoog dat de vergunningaanvraag uitgaat van maximale onttrekkingshoeveelheden die in de praktijk vrijwel nooit worden overschreden. De capaciteit van de pompinstallatie is standaard en groter dan de vergunde hoeveelheid per uur, maar dat betekent niet dat meer water mag worden onttrokken. Het beleid van Limburg streeft naar een standstill voor grondwateronttrekkingen om verdroging tegen te gaan, waarbij tijdelijke onttrekkingen alleen worden toegestaan als er geen haalbare alternatieven zijn.
Uit het rapport van Kragten Geodesie bleek dat bronbemaling noodzakelijk is en geen alternatieven beschikbaar zijn. Er zijn geen gevoelige natuurgebieden binnen de reikwijdte van de bemaling. De grondwaterstand bij belendende woningen blijft binnen natuurlijke grenzen, waardoor geen extra zettingseffecten worden verwacht. De vergunning is beperkt tot de in de aanvraag vermelde hoeveelheden, en afwijkingen daarvan zijn niet toegestaan. De Raad van State concludeert dat verweerders zich terecht op het beleid hebben gebaseerd en dat het beroep ongegrond is.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunning voor tijdelijke grondwateronttrekking is ongegrond verklaard.