ECLI:NL:RVS:2002:AE3619
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- M. Vlasblom
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
Appellant had beroep ingesteld tegen de weigering om hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk. De Raad van State oordeelt dat appellant wel belang had bij een inhoudelijke beoordeling en vernietigt daarom dit deel van de uitspraak.
De Raad overweegt dat het overgangsrecht van de Vreemdelingenwet 2000 geen grondslag biedt voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd aan vreemdelingen die ten tijde van de inwerkingtreding van de wet geen verblijfstitel hadden. Hierdoor faalden de grieven van appellant die zich hierop baseerden.
Verder bevestigt de Raad dat een verleende verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 niet onaantastbaar is voor zover het betreft de gronden a tot en met c van dat artikel. Het beroep tegen de weigering op die gronden is daarom kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt op dit punt bevestigd met enige verbetering van de motivering.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wordt inhoudelijk ongegrond verklaard.