ECLI:NL:RVS:2002:AE6483
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake vertegenwoordiging bij bezwaar tegen kamerverhuurbesluit
In deze bestuursrechtelijke zaak stond centraal of verzoeker als gemachtigde van zijn dochter kon worden beschouwd bij het indienen van bezwaar tegen een besluit van burgemeester en wethouders van Utrecht. Het besluit betrof het beëindigen van het gebruik van een pand als kamerverhuurpand voor meer dan vijf personen.
De rechtbank te Utrecht had het beroep van verzoeker gegrond verklaard en het besluit op bezwaar vernietigd. Appellanten stelden in hoger beroep dat uit het bezwaarschrift niet bleek dat verzoeker namens zijn dochter handelde en dat geen schriftelijke machtiging was overgelegd.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat uit de correspondentie en de voorgeschiedenis duidelijk bleek dat verzoeker als gemachtigde van zijn dochter moest worden beschouwd. De Afdeling verwierp het beroep van appellanten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werden appellanten veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan verzoeker.
Uitkomst: Het hoger beroep van burgemeester en wethouders van Utrecht is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.